Eigenrisicodrager voor WGA en re-integratieplicht

Een evaluatie van de Wet WIA gaat dit voorjaar naar de Tweede Kamer waarin aandacht voor de vraag in hoeverre de WIA heeft bevorderd dat personen na instroom in de WIA blijven of gaan werken naar vermogen.

Een evaluatie van de Wet WIA gaat dit voorjaar naar de Tweede Kamer waarin aandacht voor de vraag in hoeverre de WIA heeft bevorderd dat personen na instroom in de WIA blijven of gaan werken naar vermogen. Dit schrijft staatssecretaris Krom van Sociale Zaken in een brief naar aanleiding van vragen over eigenrisicodragen voor WGA.

De staatssecretarisvan Sociale Zaken stelt het volgende:

Verplichtingen werkgever

Artikel 42 van de Wet WIA bevat de wettelijke re-integratieverplichtingen voor de eigenrisicodrager.

De eigenrisicodrager dient op grond van artikel 42 te bevorderen dat de werknemer met een WGA-uitkering waarvoor hij verantwoordelijk is aan het werk komt en blijft in zijn eigen bedrijf of een ander bedrijf. De eigenrisicodrager is ook verplicht daarvoor de noodzakelijke maatregelen te treffen. Ook dient de eigenrisicodrager periodiek het plan van aanpak te evalueren dat is opgesteld om de werkhervatting van de betrokken werknemer te bevorderen.

De wet legt deze verplichtingen aan de werkgever op die eigenrisicodrager is geworden.

De werkgever heeft de mogelijkheid om de re-integratietaken zelf uit te voeren (met hulp van een bedrijfsarts en/of re-integratiebedrijf) of hiervoor een private verzekeraar in te schakelen. Beiden hebben een intrinsiek financieel belang tot schadelastbeperking en tot een geslaagde re-integratie.

Verantwoordelijkheid werkgever

De wetgever heeft niet gekozen voor een wettelijke sanctie voor de eigenrisicodrager. Aan het eind van de eerste twee jaar van ziekte en voorafgaande aan de WIA-claimbeoordeling toetst UWV wel of de werkgever voldoende re-integratieverplichtingen heeft verricht; wanneer dit niet zo is, kan de loondoorbetalingsperiode maximaal een jaar worden verlengd.

De eigenrisicodrager heeft vervolgens gedurende tien jaar de verantwoordelijkheid voor zijn werknemer met een WGA-uitkering. Deze verantwoordelijkheid omvat zowel het financiële risico (de betaling van de uitkering) als de re-integratie. De eigenrisicodrager heeft er dus alle belang bij om al het mogelijke te doen om zijn re-integratieverplichtingen na te komen.

Restverdiencapaciteit

Het blijft voor de werkgever van belang om ook als iemand al meer dan 50 procent van zijn restverdiencapaciteit benut, de dan nog resterende arbeidsmogelijkheden verder te bevorderen. Dit kan tot een verdere verlaging van kosten voor de werkgever leiden.

Rechtsmiddelen

De werknemer met een WGA-uitkering die meent dat de eigenrisicodrager onvoldoende invulling geeft aan zijn re-integratietaak kan bezwaar maken bij de eigenrisicodrager en, zo nodig, in beroep komen bij de bestuursrechter. Hierdoor is een sluitend stelsel van rechtsbescherming geborgd. Daarnaast kunnen de eigenrisicodrager en de WGA-gerechtigde via een deskundigenoordeel aan het UWV vragen om een uitspraak te doen over de vraag of de eigenrisicodrager voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht, voor zover de eigenrisicodrager hierover geen besluit heeft afgegeven.

Afdracht WGA-premie 2011 stijgt meer dan 30 procent

De afdracht WGA-premie aan de Belastingdienst over januari 2011 stijgt gemiddeld met meer dan 30 procent.

De afdracht WGA-premie aan de Belastingdienst over januari 2011 stijgt gemiddeld met meer dan 30 procent.  

De werkgever heeft in november of december 2010 de WGA-beschikking 2011 ontvangen van de Belastingdienst. In januari zijn voor het eerst de lonen over 2011 uitbetaald. In veel gevallen blijkt dat de werkgever circa 30 procent meer WGA-premie moet afdragen aan de Belastingdienst dan over januari 2010. Ten opzichte van januari 2009 is de kans groot dat u meer dan het dubbele moet betalen.

Wanneer u in het verleden WGA- (of WAO-)instroom hebt gehad, is de kans groot dat u veel meer premie moet afdragen dan u aan schade hebt veroorzaakt.

Een voorbeeld hiervan is een werkgever die WGA-uitkeringen heeft veroorzaakt van circa 28.000 euro in 2009. In 2011 moet het bedrijf circa 68.000 euro WGA-premie gaan betalen.

In een ander geval was er sprake van 8.500 euro WAO-uitkering in 2009, die een premie WGA veroorzaakt van 17.000 euro in 2011.

Verhaalt de onderneming 50 procent van de premie op de werknemers, dan voelt ook de werknemer dit direct in zijn of haar portemonnee.

Fiscale aftrek pensioenpremie zzp’ers naar 10 jaar

Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) kunnen binnenkort langer fiscaal gefaciliteerd meeliften in de pensioenregeling van het bedrijf waar ze het laatst in loondienst waren.

Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) kunnen binnenkort langer fiscaal gefaciliteerd meeliften in de pensioenregeling van het bedrijf waar ze het laatst in loondienst waren.

Staatssecretaris van Financiën Frans Weekers is van plan de maximale termijn voor de fiscale aftrekbaarheid van pensioenpremies te verlengen van 3 naar 10 jaar. Weekers schrijft dat in antwoord op Kamervragen.

Het is de bedoeling dat de langere termijn voor de fiscale faciliteit in 2012 ingaat. Zzp’ers kunnen dan maximaal 10 jaar de pensioenpremie fiscaal aftrekken. De maatregel wordt opgenomen in het fiscale eindejaarsbesluit. “In de Pensioenwet stond al een termijn van 10 jaar, maar de fiscale voordelen waren beperkt tot 3 jaar. Dat is een situatie die we nu recht trekken. Voor ZZP’ers in Nederland betekent dat een forse verbetering van hun pensioenvoorwaarden”, aldus Weekers, die met de verruiming tevens invulling geeft aan een advies van de Sociaal-Economische Raad.[ Bron: Ministerie van Financiën ]

 

MKB haalt kleine 10 procent van omzet uit activiteiten Marktplaats

Behalve de consument ziet ook het midden- en kleinbedrijf steeds meer voordelen van het onlinehandelsplatform Marktplaats. Inmiddels komt 6 procent van de totale omzet van kleine en middelgrote bedrijven voort uit de activiteiten van deze ondernemingen op de handelssite

Behalve de consument ziet ook het midden- en kleinbedrijf steeds meer voordelen van het onlinehandelsplatform Marktplaats. Inmiddels komt 6 procent van de totale omzet van kleine en middelgrote bedrijven voort uit de activiteiten van deze ondernemingen op de handelssite. Dit blijkt uit een onderzoek van Blauw Research.

1400 ondernemers

Bijna een derde van de ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf in Nederland adverteert op Marktplaats of biedt producten op de site aan. Deze bedrijven halen volgens het onderzoek al ruim een kwart van de omzet uit hun activiteiten op het onlinehandelsplatform. Het onderzoeksbureau ondervroeg bijna 1400 ondernemers en consumenten. 



Handelsvolume

Daarmee is 6 procent van de totale jaaromzet van het MKB in Nederland te danken aan de verkopen via Marktplaats. Het totale handelsvolume van het Nederlandse mkb bedroeg in 2009 volgens cijfers van het EIM 613 miljard euro. 


Woonplaats van sterk moeiende aandeelhouder was beslissend voor vestigingsplaats beleggingsvennootschap

De rechtbank onderschreef het standpunt van de bv dat bij de vaststelling van de vestigingsplaats van een lichaam in het algemeen ervan moet worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn (statutaire) bestuur en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Echter volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1993 kan dit anders zijn als de daadwerkelijke leiding niet door het bestuur maar door een ander wordt uitgeoefend.

Samenvatting

Rechtbank Den Haag heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vestigingsplaats van een zuivere beleggingsvennootschap die haar zetel eind 2001 had verplaatst naar de Nederlandse Antillen. Daarbij rees de vraag of de vennootschap na de zetelverplaatsing in Nederland als beperkt buitenlands belastingplichtige belast kon worden over een aan Nederland toegewezen (bescheiden) belastbare winst of onbeperkt binnenlands belastingplichtig was. De rechtbank onderschreef het standpunt van de bv dat bij de vaststelling van de vestigingsplaats van een lichaam in het algemeen ervan moet worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn (statutaire) bestuur en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Echter volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1993 kan dit anders zijn als de daadwerkelijke leiding niet door het bestuur maar door een ander wordt uitgeoefend. Dat was in de onderhavige procedure het geval. Er was sprake van een alles overheersende bemoeienis van de in Nederland woonachtige aandeelhouder. Dit bracht de rechtbank tot het oordeel dat de bv voor de jaren 2002 en 2003 onbeperkt binnenlands belastingplichtig was in Nederland.

Volledig artikel

Nederland heft vennootschapsbelasting van lichamen – bijvoorbeeld nv’s en bv’s – die in Nederland zijn gevestigd (binnenlands belastingplichtigen) en van niet in Nederland gevestigde lichamen die Nederlands inkomen genieten (buitenlands belastingplichtigen). De vestigingsplaats van een lichaam wordt bepaald naar de feiten en omstandigheden van het geval. De plaats van de werkelijke leiding van de vennootschap bepaalt doorgaans de vestigingsplaats.
 
Naast bovengenoemde feitelijke omstandigheden die de vestigingsplaats van een lichaam bepalen, kan een lichaam in Nederland belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting op basis van de zogeheten woonplaatsfictie. Deze fictie houdt kort gezegd in dat de oprichting van een lichaam naar Nederlands recht ertoe leidt dat het opgerichte lichaam steeds geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd. Er gelden hierbij nog enige aanvullende bepalingen. Ingeval de werkelijke leiding van een naar Nederlands recht opgericht lichaam niet in Nederland is gelegen, heeft het lichaam in beginsel een dubbele vestigingsplaats. Een regeling ter voorkoming van dubbele belasting -veelal een belastingverdrag met het land waar de werkelijke leiding is gevestigd- moet in dat geval uitsluitsel bieden over de vestigingsplaats. Anders ontstaat dubbele heffing. 
 
Rechtbank Den Haag heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vestigingsplaats van een vennootschap waarbij de (toenmalige) Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) met de Nederlandse Antillen regels bevatte over de vestigingsplaats van een vennootschap. De zaak was als volgt.
 
Een naar Nederlands recht opgerichte bv had haar zetel eind 2001 verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De bv was kort daarvoor een zuivere beleggingsvennootschap geworden. Een aldaar gevestigd trustkantoor werd als statutair bestuurder aangesteld en werd formeel belast met het vermogensbeheer. De diverse bijlagen van de beheerovereenkomst met het trustkantoor bevatten voor de directie veel richtlijnen waardoor de directie feitelijk geen vrije hand meer had in het vermogensbeheer. De richtlijnen hielden in essentie in dat alle essentiële directiebeslissingen -zoals onder meer over het te voeren beleggingsbeleid- voorafgaande goedkeuring bij aandeelhoudersbesluit behoefden. De bv had in 2002 en 2003 (als beperkt buitenlandse belastingplichtige) aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar belastbare winsten van bescheiden omvang. De inspecteur week van de aangiften af en stelde zich op het standpunt dat de bv (nog steeds) in Nederland was gevestigd en legde de bv als onbeperkt binnenlands belastingplichtige aanslagen vennootschapsbelasting op die een veelvoud beliepen van de aangegeven belastbare bedragen. De zaak kwam voor Rechtbank Den Haag.
 
De rechtbank stelde vast dat de bv in ieder geval tot december 2001 feitelijk in Nederland werd geleid en dat de bv het standpunt innam dat haar feitelijke leiding in 2002 en 2003 in de Nederlandse Antillen was gevestigd. Onder meer op basis van de regels uit de toenmalige BRK was de rechtbank van oordeel dat de bv de bewijslast had om haar standpunt te onderbouwen. De rechtbank onderschreef het standpunt van de bv dat bij de vaststelling van de vestigingsplaats van een lichaam in het algemeen ervan moet worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn (statutaire) bestuur en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. De rechtbank wees vervolgens op een arrest van de Hoge Raad uit 1993. Daarin had de Hoge Raad aangegeven dat wanneer het aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, dit aanleiding kan zijn voor de conclusie dat als vestigingsplaats van het lichaam wordt aangemerkt de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent. 
 
Op basis van eerdergenoemde feiten en omstandigheden was de rechtbank van oordeel dat de aandeelhouder de daadwerkelijke leiding uitoefende. Dit leidde ertoe dat de bv voor de jaren 2002 en 2003 onbeperkt belastingplichtig was in Nederland. De rechtbank stelde verder vast dat de inspecteur terecht enige correcties had aangebracht in de aanslagen en verklaarde het beroep van de bv ongegrond.
 
Bron: Rechtbank Den Haag, 22-12-2010, nrs. 08/5802 en 08/5803 (gepubliceerd 17-2-2011).