Wanneer is aanmerkelijkbelangwinst belastbaar?

Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag in welk jaar de verkoopwinst op een aanmerkelijkbelangpakket belastbaar was. In de procedure had een man op 30 december 2000 bij onderhandse akte zijn aanmerkelijkbelangaandelen in een bv verkocht aan een nieuw opgerichte persoonlijke houdstervennootschap waarvan hij alle aandelen hield. Volgens de verkoopakte waren met ingang van 1 januari 2001 alle baten en lasten voor de houdster die ook vanaf die datum de directie over de bv ging voeren. Bij notariële akte van 24 juli 2001 werden de aandelen juridisch geleverd aan de houdster. De inspecteur was van mening dat de aanmerkelijkbelangwinst in 2001 belastbaar was. Nu de man in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2001 niets had vermeld over een aanmerkelijkbelangwinst, legde de inspecteur een navorderingsaanslag op met 50% boete. Rechtbank Breda was het daarmee eens. Hof Den Bosch was echter een geheel andere mening toegedaan. Volgens vaste rechtspraak is het realisatiemoment van de aanmerkelijkbelangwinst het moment van aangaan van de obligatoire (bindende) overeenkomst beslissend. Dat was al op 30 december 2000. De inspecteur had de vervreemdingswinst in het verkeerde jaar in aanmerking genomen. Het hof vernietigde daarop de navorderingsaanslag en de uitspraak van de rechtbank.

18 februari 2011

Samenvatting

Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag in welk jaar de verkoopwinst op een aanmerkelijkbelangpakket belastbaar was. In de procedure had een man op 30 december 2000 bij onderhandse akte zijn aanmerkelijkbelangaandelen in een bv verkocht aan een nieuw opgerichte persoonlijke houdstervennootschap waarvan hij alle aandelen hield. Volgens de verkoopakte waren met ingang van 1 januari 2001 alle baten en lasten voor de houdster die ook vanaf die datum de directie over de bv ging voeren. Bij notariële akte van 24 juli 2001 werden de aandelen juridisch geleverd aan de houdster. De inspecteur was van mening dat de aanmerkelijkbelangwinst in 2001 belastbaar was. Nu de man in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2001 niets had vermeld over een aanmerkelijkbelangwinst, legde de inspecteur een navorderingsaanslag op met 50% boete. Rechtbank Breda was het daarmee eens. Hof Den Bosch was echter een geheel andere mening toegedaan. Volgens vaste rechtspraak is het realisatiemoment van de aanmerkelijkbelangwinst het moment van aangaan van de obligatoire (bindende) overeenkomst beslissend. Dat was al op 30 december 2000. De inspecteur had de vervreemdingswinst in het verkeerde jaar in aanmerking genomen. Het hof vernietigde daarop de navorderingsaanslag en de uitspraak van de rechtbank.

Volledig artikel

Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag in welk jaar de verkoopwinst op een aanmerkelijkbelangpakket belastbaar was. De zaak was verkort weergegeven als volgt.
 
Een man bezat 30 aandelen in een bv. De overige aandelen (36 stuks) waren in handen van een andere vennootschap. De man bezat daardoor een

 

aanmerkelijk belang in de bv. Op 30 december 2000 verkocht hij bij onderhandse akte zijn aanmerkelijkbelangaandelen aan een nieuw opgerichte houdstervennootschap waarvan hij alle aandelen hield. Volgens de verkoopakte waren met ingang van 1 januari 2001 alle baten en lasten voor de houdster die ook vanaf die datum de directie ging voeren. Bij notariële akte van 24 juli 2001 werden de aandelen juridisch geleverd aan de houdster. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2001 had de man niet aangegeven dat hij een aanmerkelijk belang had.
 
De inspecteur ontdekte op een later moment dat de man een aanmerkelijkbelangwinst had behaald en was van mening dat deze winst in 2001 belastbaar was. Nu de man in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2001 niets daarover had vermeld, legde de inspecteur een navorderingsaanslag op met 50% boete. De zaak kwam voor Rechtbank Breda.

De rechtbank merkte op dat het tijdstip van vervreemding in de zin van de Wet het tijdstip is waarop de obligatoire (een partijen bindende) overeenkomst tot stand komt. Dat is het moment waarop tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt over het te leveren object en de daarvoor te betalen prijs. Als aan het tot stand komen van de overeenkomst een opschortende voorwaarde is verbonden, is het vervreemdingstijdstip het moment waarop die voorwaarde in vervulling gaat. De rechtbank was van oordeel dat sprake was van een verkoopovereenkomst onder opschortende voorwaarde. Volgens de blokkeringsregeling in de statuten van de bv was bij verkoop van de aandelen de toestemming van de medeaandeelhouder nodig. Die toestemming kwam pas in de akte van levering van de aandelen op 24 juli 2001 (schriftelijk) tot uiting.
 
Vanwege de opschortende voorwaarde wordt de obligatoire overeenkomst pas perfect op het moment dat deze toestemming van de medeaandeelhouder is verleend. In de omstandigheid dat de aandelen met ingang van 1 januari 2001 voor rekening en risico waren van de houdster en onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005 was de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst tot vervreemding van de aandelen pas in het jaar 2001 tot stand was gekomen. De man had naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de onderhandse koopovereenkomst daadwerkelijk op 30 december 2000 perfect was geworden. Het was namelijk niet gebleken dat de medeaandeelhouder al in het jaar 2000 toestemming had verleend. De man ging in hoger beroep bij Hof Den Bosch.

Het hof was een geheel andere mening toegedaan dan de rechtbank. Op 30 december 2000 bestond tussen de man en de houdster wilsovereenstemming die was gericht op een overgang van de (economische) eigendom van de aandelen in de bv naar de houdster. In overeenstemming daarmee bepaalde de overeenkomst van 30 december 2000 dat alle baten en lasten met ingang van 2001 voor rekening en risico waren van de houdster. De houdster vermeldde de aandelen als haar (economische) eigendom in de openingsbalans 2001. 
Het economische belang bij de aandelen berustte naar het oordeel van het Hof daarom al direct ingaande het jaar 2001 -en dus het gehele jaar 2001- bij de houdster. Ondersteuning voor dit oordeel zag het hof in een arrest van de Hoge Raad uit 1999. Op basis van dat arrest kwam het hof tot het oordeel dat in 2000 de vervreemding van het aanmerkelijk belang had plaatsgevonden. Het hof vatte het voorgaande kernachtig samen met de formulering dat voor de bepaling van het realisatiemoment wordt aangesloten bij de overgang van het economische belang. 
 
Het hof merkte nog op dat de man strikt genomen had kunnen volstaan met de vervreemd ing van de economische eigendom en dus juridisch eigenaar had kunnen blijven. Hij had zijn medeaandeelhouder in dat geval niet eens hoeven te melden dat hij de aandelen hield voor rekening en risico van een vennootschap. Ook het standpunt van de inspecteur en de rechtbank over de blokkeringsregeling/aanbiedingsregeling in de statuten van de bv wees het hof van de hand. Een aanbiedingsregeling heeft wat betreft de obligatoire overeenkomst geen derdenwerking. 
 
Op basis van de feiten en omstandigheden vond het hof het bovendien wel aannemelijk dat de medeaandeelhouder wel al in 2000 toestemming had gegeven voor de verkoop. Na de verkoop van de aanmerkelijkbelangaandelen had de man dezelfde holdingstructuur (met een persoonlijke houdstervennootschap) gekregen als de medeaandeelhouder. Deze dubbele holdingstructuur verkleinde de kans op (fiscale) belangentegenstelling bij het vaststellen van beloningen en dividenden tussen te aandeelhouders.
 
Het hof kwam tot de conclusie dat de inspecteur de vervreemdingswinst in het verkeerde jaar in aanmerking had genomen en vernietigde daarom de navorderingsaanslag en de uitspraak van de rechtbank.
 
Bron: Hof Den Bosch, 29-10-2010, nr. 09/00410 (gepubliceerd 9-2-2011).

Het venijn van de suppletie-aangifte

De suppletie-aangifte voor de btw komt niet in de wet voor en dat zorgt al jaren voor confrontaties tussen ondernemers en fiscus. Wat gebeurt er als u nalaat suppletie te doen, mag er zomaar een boete worden gegeven?

 

De suppletie-aangifte voor de btw komt niet in de wet voor en dat zorgt al jaren voor confrontaties tussen ondernemers en fiscus. Wat gebeurt er als u nalaat suppletie te doen, mag er zomaar een boete worden gegeven? 

De Btw-aangifte
De btw-aangifte is een periodiek terugkerend fenomeen. Eens per maand, kwartaal of per jaar moet een overzicht worden gemaakt van geleverde diensten en in rekening gebrachte btw. De door een ondernemer betaalde btw over aangeschafte goederen en diensten mag daarvan worden afgetrokken. Het verschil moet worden afgedragen of wordt terug ontvangen.

Suppletie aan einde van het jaar
Het lijkt eenvoudig, maar een vergissing is zo gemaakt. Veel adviseurs lossen dat praktisch op: na afloop van het jaar wordt een zogenoemde suppletie-aangifte ingediend. Daarin worden alle correcties opgenomen op de ingediende aangiften, min of meer een soort naberekening. De fiscus legt dan een naheffingsaanslag op en de te weinig afgedragen btw wordt alsnog betaald.

Niet in de wet
Jarenlang is er geharrewar geweest met de fiscus over de status van de suppletie-aangifte. In de wet kwam deze immers niet voor. Ook in procedures kwam de vraag naar voren hoe met een suppletie moest worden omgegaan in het bijzonder als de fiscus geld terug moest geven.

Op tijd indienen
Het moment van indienen bleek dan ineens een rol te spelen. Want, zo was de redenering, om de suppletie als bezwaar te kunnen aanmerken, moet hij wel tijdig worden ingediend. Ofwel: binnen zes weken na afloop van de betalingstermijn.

Adviseurs hebben echter tot en met eind januari met de btw-afdracht over het vierde kwartaal te maken en doen de suppletie vaak pas daarna. Dat betekent in de praktijk dat veel suppleties eind februari of begin maart worden ingediend. Met als gevolg dat de bezwaartermijn ruimschoots is overschreden en er een niet-ontvankelijkverklaring volgt.

Geen suppletie ingediend?
Minder bekend was wat er moest gebeuren als er geen suppletie was ingediend. Nergens in de wet staat immers dat dat moet.

Onlangs moest de Rechtbank Arnhem hierover oordelen. Het betrof een situatie waarin de belastingplichtige een suppletie-aangifte deed, die zoek raakte en een naheffingsaanslag met boete kreeg opgelegd na controle van de jaarstukken. Er was volgens de inspecteur onjuist aangifte gedaan.

Dat vond de rechter wel heel kort door de bocht. De boete werd geschrapt, want om deze op te kunnen leggen moet er sprake zijn van opzet of grove schuld. Maar dan wordt van belang waarom de btw niet correct is afgedragen. Immers, doet een belastingplichtige opzettelijk geen afdracht, dan is er op z’n minst sprake van opzet.

Boete mag niet zomaar
Duidelijk is wel dat een ondernemer die te goeder trouw een fout maakt bij het indienen van de btw-aangifte niet zomaar automatisch een boete kan krijgen. Krijgt u die toch? Ga dan in bezwaar en beroep, het kan de moeite waard zijn!

Vanaf 1 januari 2010 in andere lidstaten geheven btw terugvragen via Nederlandse fiscus

In Nederland gevestigde ondernemers die in andere EU-lidstaten btw hebben voldaan, kunnen deze btw vanaf 1 januari 2010 terugvragen via de elektronische portalsite van de Nederlandse fiscus.

In Nederland gevestigde ondernemers die in andere EU-lidstaten btw hebben voldaan, kunnen deze btw vanaf 1 januari 2010 terugvragen via de elektronische portalsite van de Nederlandse fiscus. Administratief bewerkelijke teruggaafverzoeken aan 26 andere belastingadministraties behoren daarmee tot de verleden tijd. Op de nieuwe elektronische portalsite van de belastingdienst kunnen ondernemers straks hun verzoek om teruggaaf van deze btw indienen. Ook in alle andere lidstaten komt eenzelfde teruggaafregeling. Momenteel zijn er geen signalen dat een of meer lidstaten achter op schema lopen om te kunnen voldoen aan de nieuwe teruggaafprocedure per 1 januari 2010. Dit antwoordt staatssecretaris De Jager van Financiën in een brief op vragen van de vaste commissie voor Financiën in de Tweede Kamer. De staatssecretaris gaat in zijn brief ook in op diverse andere vragen van het VNO-NCW en NOB.

 

Volledig bericht

In Nederland gevestigde ondernemers die in andere EU-lidstaten btw hebben voldaan, kunnen deze btw vanaf 1 januari 2010 terugvragen via de elektronische portalsite van de Nederlandse fiscus. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan de btw die een Nederlandse vervoersondernemer (zonder vaste inrichting in een andere EU-lidstaat) na 1 januari 2010 heeft betaald voor brandstofaankopen in een andere lidstaat. Administratief bewerkelijke teruggaafverzoeken aan 26 andere belastingadministraties behoren daarmee tot de verleden tijd.
 
Op de nieuwe elektronische portalsite van de belastingdienst kunnen ondernemers straks hun verzoek om teruggaaf van deze btw indienen. Ook in alle andere lidstaten komt eenzelfde teruggaafregeling. Momenteel zijn er geen signalen dat een of meer lidstaten achter op schema lopen om te kunnen voldoen aan de nieuwe teruggaafprocedure per 1 januari 2010. Dit antwoordt staatssecretaris De Jager van Financiën in een brief op vragen van de vaste commissie voor Financiën in de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel Implementatie richtlijnen btw-pakket. Op 2 april 2009 hebben we over dit wetsvoorstel eerder bericht. De staatssecretaris gaat in zijn brief ook in op diverse andere vragen van het VNO-NCW en het NOB.
 
Een teruggaafverzoek van btw over het vierde kwartaal van 2009 kan een ondernemer nog op de bestaande wijze indienen als het verzoek vóór 1 januari 2010 is ingediend. Alle verzoeken na 1 januari 2010 moeten op de nieuwe manier worden ingediend.
 
Vanaf 1 januari 2010 treedt voor Nederlandse ondernemers een andere belangwekkende wijziging in werking. Het betreft het tijdstip van verschuldigd worden van btw van grensoverschrijdende dienstverrichting tussen ondernemers welke betrekking hebben op diensten die onder de nieuwe hoofdregel vallen. De nieuwe hoofdregel houdt in dat als deze diensten worden verricht aan een btw-ondernemer die in een ander EU-land is gevestigd, deze diensten zijn belast in het land van de afnemer. Voorheen waren deze diensten belast in het land waar de dienstverrichter was gevestigd. Vanaf 1 januari 2010 is de dienstverrichter btw verschuldigd op het tijdstip dat de dienst is verricht. Op dit moment maakt Nederland ruimhartig gebruik van een uitzonderingspositie waarbij de dienstverrichter btw is verschuldigd op het moment dat hij een factuur uitreikt (factuurstelsel). Bij grensoverschrijdende dienstverrichting tussen ondernemers waarbij de btw is verlegd naar de afnemer, moet de verschuldigdheid van btw zowel in het land van de dienstverrichter als in het land van de afnemer op één tijdstip in aanmerking worden genomen. De staatssecretaris geeft aan dat het niet te verwachten is dat Nederland zijn uitzonderingspositie op dit punt kan handhaven.
 
De staatssecretaris geeft aan dat de Nederlandse belastingdienst vooralsnog terughoudend zal zijn met het opleggen van boeten bij de nieuwe opgaaf intracommunautaire diensten (IC-diensten). De nieuwe regels moeten ‘inslijten’. Als er boetes worden opgelegd dan zullen deze met name worden opgelegd aan degenen die volharden in het niet of niet-volledig doen van een opgaaf IC-diensten.
 
Bron: Ministerie van Financiën, 22-9-2009, nr. DV/2009/568M.

Eigenrisicodragerschap WGA vóór 2 oktober aanvragen

Werkgevers die met ingang van 1 januari 2010 eigenrisicodrager voor de Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) willen worden, moeten hun aanvraag voor 2 oktober sturen naar de Belastingdienst.

Werkgevers die met ingang van 1 januari 2010 eigenrisicodrager voor de Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) willen worden, moeten hun aanvraag voor 2 oktober sturen naar de Belastingdienst.
Als eigenrisicodrager voor de WGA is de ondernemer voor een periode van maximaal 10 jaar zelf verantwoordelijk voor de WGA-lasten van (ex-)werknemers. In ruil daarvoor hoeft hij geen gedifferentieerde WGA-premie meer te betalen. Het premiepercentage voor deze premie stelt Belastingdienst per werkgever vast(zie ook: WGA minimumpremie voor kleine bedrijven stijgt fors in 2010). Voor 2010 gelden de volgende percentages:

  • landelijk gemiddeld percentage: 0,53%
  • rekenpercentage: 0,59%
  • minimumpercentage voor grote werkgevers: 0,06%
  • maximumpercentage voor grote werkgevers: 2,12%
  • minimumpercentage voor kleine werkgevers: 0,59%
  • maximumpercentage voor kleine werkgevers: 1,59%

Een ondernemer is in 2010 een grote werkgever als zijn premieloon in 2008 meer was dan € 730.000. Was het premieloon in 2008 niet meer dan € 730.000, dan is de ondernemer een kleine werkgever.

Aanvraag

Het eigenrisicodragerschap vraagt de werkgever aan met het formulier ‘Aanvraag of beëindiging eigenrisicodragerschap voor de WGA’. Daarnaast moet de werkgever een garantieverklaring van een erkende kredietinstelling of verzekeraar meesturen. Dit gebeurt via het formulier ‘Garantieverklaring eigenrisicodragerschap WGA’. Beide formulieren zijn te downloaden op de website van de Belastingdienst.

[ Bron: Belastingdienst ]

WGA-premies voor kleine werkgevers fors omhoog in 2010

Het UWV heeft de premie voor de WGA in 2010 bekendgemaakt. De minimumpremie voor kleine werkgevers stijgt met 0,32%. UWV berekent de premie voor de WGA jaarlijks voor elke werkgever, op basis van de toegekende uitkeringen aan hun werknemers.

Het UWV heeft de premie voor de WGA in 2010 bekendgemaakt. De minimumpremie voor kleine werkgevers stijgt met 0,32%. UWV berekent de premie voor de WGA jaarlijks voor elke werkgever, op basis van de toegekende uitkeringen aan hun werknemers. In het najaar ontvangen werkgevers van de Belastingdienst een beslissing met de berekening van hun nieuwe premie.

De Werkhervattingskas-premie (Whk) stijgt in 2010 voor de meeste werkgevers. Deze premiestijging wordt enerzijds veroorzaakt door de toename van het aantal uitkeringen en anderzijds door een te laag gehanteerd premieniveau in 2009.

 

Voor 2010 is de stijging van de minimumpremie voor kleine werkgevers het hoogst. De minimumpremie voor deze groep stijgt van 0,27% naar 0,59%. Dit betekent voor het merendeel van de kleine werkgevers (maximaal 25 werknemers) dat zij per werknemer ongeveer € 90 per werknemer meer betalen in vergelijking met 2009. 
 
Meer uitleg over de gedifferentieerde WGA-premies staat in de nota Premies en parameters Werkhervattingskas 2010. Met de gegevens uit deze nota kunnen werkgevers zelf de premies berekenen. Nota downloaden: klik hier.>>