Eerste Kamer behandelt toch de nieuwe flex-bv

De invoering van de flex-bv moet het makkelijker maken om een nieuwe bv op te richten. Zo hoeft u niet meer over een startkapitaal van minimaal € 18.000 te beschikken en ook de vereisten voor het maatschappelijk kapitaal zullen verdwijnen. Daarnaast wijzigen de regels met betrekking tot de aandelen, de kapitaal- en crediteurenbescherming en de benoeming van bestuur en het toezicht op de bv.

Het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht zal de Eerste Kamer ondanks de val van het kabinet-Rutte toch gewoon in behandeling nemen. De val van het kabinet maakte behandeling van deze wetsvoorstellen namelijk onzeker. Recent heeft de Eerste Kamer echter besloten om dit wetsvoorstel niet controversieel te verklaren.

Het wetsvoorstel ligt nu nog bij de Eerste Kamer. Verdere behandeling door de Eerste Kamer is pas mogelijk als de Tweede Kamer een aantal vragen heeft beantwoord. Door de val van het kabinet is dit nog niet gebeurd en het is dan ook maar de vraag of invoering per 1 juli 2012 gaat lukken. Invoering per 1 januari 2013 ligt in dit geval meer voor de hand.

Minder regels

De invoering van de flex-bv moet het makkelijker maken om een nieuwe bv op te richten. Zo hoeft u niet meer over een startkapitaal van minimaal € 18.000 te beschikken en ook de vereisten voor het maatschappelijk kapitaal zullen verdwijnen. Daarnaast wijzigen de regels met betrekking tot de aandelen, de kapitaal- en crediteurenbescherming en de benoeming van bestuur en het toezicht op de bv. U bent hierdoor aan minder regels gebonden bij de oprichting van een bv. De statuten van de bv sluiten daarnaast beter aan op uw wensen. Door de val van het kabinet is alleen de invoeringsdatum dus nog erg onzeker.

Jaarrekening: Feiten balansdatum bepalend voor afboeking vordering

In de jaarrekening moet u elk jaar de waarde van al uw bezittingen en schulden vaststellen. Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om een voorziening te vormen of een vordering af te waarderen. Hierbij moet u kijken naar de situatie van de onderneming op de balansdatum.

In de jaarrekening moet u elk jaar de waarde van al uw bezittingen en schulden vaststellen. Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om een voorziening te vormen of een vordering af te waarderen. Hierbij moet u kijken naar de situatie van de onderneming op de balansdatum. Dit is nogmaals benadrukt in een recente uitspraak van rechtbank Breda.

In deze zaak vormden twee BV’s een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De dochter BV verstrekte eind 2003 een lening aan een externe partij voor € 391.250. In datzelfde jaar boekte de moeder BV de vordering in zijn geheel af, omdat de vordering volgens de bv oninbaar was. Deze afwaardering kwam ten laste van het resultaat van de fiscale eenheid. De Belastingdienst vond echter dat de moeder BV de vordering op balansdatum niet kon afwaarderen of daar een voorziening voor kon vormen. Op balansdatum kon de bv namelijk nog niet concluderen dat de vordering oninbaar was.

Redelijke mate van zekerheid

De rechter verwees in zijn uitspraak naar het Baksteenarrest van de Hoge Raad en stelde dat deze ook van toepassing was bij een waardevermindering van een vordering. Uit dit arrest bleek dat een bv een voorziening mocht vormen als hiervoor de  vereiste feiten en omstandigheden op balansdatum aanwezig waren. Daarnaast moest er een redelijke mate van zekerheid zijn dat de andere partij de lening niet meer terug kon betalen. De rechtbank vond echter dat op balansdatum nog niet vaststond dat het voor de andere partij moeilijk zou worden om het geld terug te betalen. Deze andere bv maakte namelijk in 2003 nog een bescheiden winst en had een positief eigen vermogen. In 2004 zou deze partij pas in de problemen komen en een claim vanwege Ketenaansprakelijkheid aan de broek krijgen. Het maakte hierbij niet uit dat de claim betrekking had op de periode vóór 2003. De moeder BV mocht de vordering dus niet afwaarderen en moest de vordering voor het hele bedrag op de balans laten staan.

Heeft u vragen over de afwaardering van vorderingen, neem dan contact op met VRS Consultancy.

 

Percentage heffingsrente naar 2,3%

Het percentage voor de heffingsrente en invorderingsrente gaat flink omlaag, in het tweede kwartaal voor 2012 wordt het namelijk 2,3%. Voor het nu lopende kwartaal geldt nog een percentage van 2,85%. 

De staatssecretaris van Financiën stelt ieder kwartaal opnieuw de hoogte van de heffingsrente vast. Deze hoogte berekent het ministerie door gebruik te maken van een vaste formule. Eerst neemt men het laagste van de volgende twee percentages: de basisrente van de Europese Centrale Bank ECB en het gemiddelde rendement van de laatste drie staatsleningen vermindert met 0,5%. Op het moment is het gemiddelde rendement op staatsleningen het laagst. Die bedroeg op 1 februari 0,8%. Om tot het percentage voor de heffingsrente en de invorderingsrente te komen, komt hier een vaste opslag van 1,5% bij. Dat maakt in dit geval dus een heffingsrente van 2,3% voor het tweede kwartaal van 2012.

Te weinig belasting betaald

De heffingsrente is een vergoeding voor gemiste rente van uw onderneming of de fiscus. Uw onderneming moet rente aan de fiscus betalen als u te weinig belasting heeft afgedragen. Heeft uw onderneming echter teveel belasting betaald, dan kunt u heffingsrente ontvangen. Invorderingsrente daarentegen komt pas aan de orde als u een aanslag te laat betaalt.

 

Apart formulier voor indienen BTW-suppletie

Na het indienen van de BTW-aangifte kunt u natuurlijk merken dat er te veel of te weinig BTW is betaald. U kunt dit echter corrigeren door het indienen van een BTW-suppletie. Heeft u de afgelopen vijf jaar te veel of te weinig BTW aangegeven dan bent u sinds 1 januari 2012 zelfs verplicht om een suppletieaangifte in te dienen.

Na het indienen van de BTW-aangifte kunt u natuurlijk merken dat er te veel of te weinig BTW is betaald. U kunt dit echter corrigeren door het indienen van een BTW-suppletie. Heeft u de afgelopen vijf jaar te veel of te weinig BTW aangegeven dan bent u sinds 1 januari 2012 zelfs verplicht om een suppletieaangifte in te dienen. Na 1 april 2012 moet u hiervoor het suppletieformulier van de Belastingdienst gebruiken.

U bent verplicht om suppletieaangifte te doen zolang de naheffingstermijn loopt, dus gedurende vijf jaar na het jaar waarover u suppletie moet doen. De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen, indien u het indienen van een correctie achterwege laat. Vanaf 1 april 2012 moet u de suppletieaangifte met een verplicht gesteld formulier indienen. Er zijn een tweetal formulieren beschikbaar. Het formulier ‘Suppletie omzetbelasting tot en met 2009’ en ‘Suppletie omzetbelasting vanaf 2010’. U kunt natuurlijk ook digitaal een verzoek sturen naar de Belastingdienst via het beveiligde gedeelte van de website.

BTW-correcties tot € 1.000

De kleine BTW-correcties hoeft u niet te corrigeren met het suppletieformulier, maar kunt u verwerken in uw eerstvolgende aangifte BTW. Dit is mogelijk tot een te betalen of terug te krijgen bedrag van € 1.000. Let er wel op dat u de correcties in de juiste rubriek van de aangifte verwerkt. Bij correctie in de reguliere aangifte ontvangt u geen naheffingsaanslag of afzonderlijke teruggaafbeschikking.

Heeft u vragen over het op correcte wijze indienen van een BTW-suppletie, neem dan contact op met VRS Consultancy.

 

Wijzigingen 30%-regeling definitief

Het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is aangepast aan de in het Belastingplan 2012 aangekondigde wijzigingen in de 30%-regeling. Deze wijzigingen zijn met ingang van 1 januari 2012 in werking getreden. Voor de volledigheid zetten wij de belangrijkste wijzigingen nog even op een rijtje.

Het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is aangepast aan de in het Belastingplan 2012 aangekondigde wijzigingen in de 30%-regeling. Deze wijzigingen zijn met ingang van 1 januari 2012 in werking getreden. Voor de volledigheid zetten wij de belangrijkste wijzigingen nog even op een rijtje.

Specifieke deskundigheid

Eén van de voorwaarden van de 30%-regeling is dat de werknemer over een specifieke deskundigheid moet beschikken die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Werknemers met een salaris van ten minste € 35.000 € 50.000 inclusief de vergoeding o.b.v. de 30%-regeling bezitten deze specifieke deskundigheid.

Maximale looptijd

De maximale looptijd van de 30%-regeling wordt verkort van tien naar acht jaar.

Kortingsperiode

Werknemers die in de afgelopen 25 jaar voorafgaande aan de tewerkstelling in Nederland hebben gewerkt of verbleven in Nederland, worden gekort op de maximale looptijd van acht jaar.

Jonge promovendi

Voor masters tot 30 jaar die vanuit het buitenland worden geworven geldt een verlaagde salarisnorm van € 26.605 € 38.008 inclusief 30%-vergoeding.

Wetenschappelijk onderzoek en artsen in opleiding

Voor werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen aan universiteiten of bij door de overheid gesubsidieerde onderzoeksinstellingen en voor artsen in opleiding geldt de salarisnorm niet.

Grensarbeiders

Werknemers uit het buitenlandse grensgebied met Nederland komen niet langer in aanmerking voor de 30%-regeling. Tot het buitenlandse grensgebied wordt gerekend het gebied tot een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grenzen. Uitsluitend werknemers die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen, komen in aanmerking voor de 30%-regeling. Dit laatste vereiste geldt overigens niet voor werknemers die in Nederland of binnen het gebied tot 150 kilometer van de Nederlandse grens hebben verbleven om te promoveren, mits zij uiterlijk binnen een jaar na de promotie tewerk worden gesteld. Zij kwalificeren in dat geval als ingekomen werknemer voor de 30%-regeling

Wisseling van werkgever

Wanneer de werknemer tijdens de looptijd van de 30%-regeling wisselt van werkgever, kan de 30%-regeling bij de nieuwe werkgever worden voortgezet. De totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige wordt het nieuwe meetpunt. Dit betekent dat de werknemer die binnen drie maanden na het einde van de tewerkstelling een nieuw contract tekent maar pas na vier maanden begint met zijn nieuwe tewerkstelling, toch in aanmerking komt voor de voortzetting van de 30%-regeling.

Voor eventuele vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met VRS Consultancy.