Nederlander 26.000 euro armer door crisis

Nederlanders zijn sinds het begin van de financiële crisis gemiddeld 26.000 euro armer geworden. In totaal is dat 325 miljard euro.

Nederlanders zijn sinds het begin van de financiële crisis gemiddeld 26.000 euro armer geworden. In totaal is dat 325 miljard euro. Dat blijkt uit berekeningen van PricewaterhouseCoopers (PwC), die de accountants- en adviesorganisatie maandag heeft bekendgemaakt.

 

 De vermogensdaling komt vooral door de lagere pensioenopbouw, de daling van de huizenprijzen en de daling van de aandelenkoersen. Het vermogensverlies leidt op den duur ook tot minder uitgaven, aldus PwC.

Het vermogen in aandelen, pensioenen en huizenbezit is gezamenlijk met circa 13 procent afgenomen. Dat komt volgens PwC overeen met circa 56 procent van het bruto binnenlands product.

In maart berekende PwC al dat de gemiddelde Brit door de scherp gedaalde aandelenmarkten en de fors lagere huizenprijzen ongeveer 40.000 pond sterling (44.545 euro) armer is geworden dan voor het uitbreken van de crisis.

 

Bron: Financiële Telegraaf

Gouden toekomst voor belastingadviseur

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft bekendgemaakt dat geen enkel land nog op de ‘zwarte lijst’ van de OESO staat. Hiermee komt er een einde aan belastingontduiking, maar niet aan belastingontwijking.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft bekendgemaakt dat geen enkel land nog op de ‘zwarte lijst’ van de OESO staat. Hiermee komt er een einde aan belastingontduiking, maar niet aan belastingontwijking.

 

Op de OESO lijst stonden landen die onvoldoende meewerkten aan de uitwisseling van fiscale informatie. Nu alle landen die op de zwarte lijst stonden hebben toegezegd de OESO-standaard voor uitwisseling van fiscale informatie in te voeren, is het einde van het bankgeheim in zicht volgens het Haags Juristen College, dat is gespecialiseerd in belastingontwijking voor ondernemers.
 
Misvatting
Hoewel het recht op financiele privacy sterk uitgehold is, lijkt ten onrechte het beeld te ontstaan dat hiermee ook een einde gaat komen aan de mogelijkheden om belasting te ontwijken door gebruik te maken van belastingparadijzen. Dit is een misvatting, die lijkt te worden veroorzaakt doordat velen zich niet bewust zijn van het onderscheid tussen belastingontduiking en belastingontwijking.

Belastingontduiking
Belastingontduiking betekent belasting besparen door de wet te overtreden, bijvoorbeeld door inkomsten te verzwijgen en dit zwarte geld in een land met een bankgeheim te verbergen. Het uithollen van het bankgeheim maakt belastingontduiking inderdaad minder aantrekkelijk. Het succes van deze strategie hangt volledig af van de pakkans, die nu groter zal worden. De belastingontduiker is dus duidelijk slechter af door de ontwikkelingen van de laatste weken.

Belastingontwijking
Belastingontwijking betekent belasting besparen door gebruik te maken van wettelijke mogelijkheden, bijvoorbeeld door rechtspersonen te vestigen in een land met een beter fiscaal klimaat. Voor wie belasting ontwijkt maakt de uitholling van het recht op financiele privacy weinig uit, omdat zijn fiscale oplossing niet gebaseerd is op geheimhouding. Daarom is het voor de belastingontwijker geen probleem als de fiscus alle feiten boven tafel weet te krijgen.

Belastingparadijs
De ontstane misvatting wordt mede veroorzaakt doordat het begrip belastingparadijs vaak ten onrechte wordt gebruikt om landen met een bankgeheim aan te duiden. Veel belastingparadijzen, waaronder Nederland, hebben geen bankgeheim, en veel landen met een bankgeheim zijn geen belastingparadijs. Doordat veel media en politici hun succesvolle strijd tegen het bankgeheim beschrijven als het “aanpakken van belastingparadijzen”, ontstaat de indruk dat belastingparadijzen ten dode zijn opgeschreven, en daarmee dus ook het ontwijken van belasting via structuren in belastingparadijzen.

“Unfair tax competition”
Aangezien de internationale druk die wordt uitgeoefend door de OESO en haar lidstaten zich richt op het bevorderen van de uitwisseling van fiscale informatie, en niet meer op de lage belastingtarieven die sommige landen hanteren, is deze indruk onterecht. De OESO probeerde weliswaar rond de eeuwwisseling om een vuist te maken tegen zogenaamde “unfair tax competition” door landen met lage belastingen, maar staakte deze poging toen bleek dat hier onvoldoende draagvlak voor was. Te veel mensen bleken te vinden dat ieder land het recht heeft zijn eigen belastingtarieven te bepalen, en dus ook lage tarieven vast te stellen.

Gouden toekomst
Aangezien de uitholling van het bankgeheim belastingontduiking minder aantrekkelijk maakt, wordt belastingontwijking juist aantrekkelijker. Daarvan zullen belastingparadijzen profiteren, alsmede de trustkantoren, belastingadviseurs, accountants, bankiers, advocaten en notarissen die hun brood verdienen met het verlenen van diensten aan belastingontwijkers. Daarom gaan deze beroepsgroepen, zowel binnen als buiten belastingparadijzen, een gouden toekomst tegemoet.
 

Bron: ANP

De kantonrechtersformule: hoe zit het precies?

Sinds 1 januari 2009 is er een nieuwe kantonrechtersformule van kracht. Aan de hand van deze formule wordt de hoogte van de ontslagvergoeding berekend.

Sinds 1 januari 2009 is er een nieuwe kantonrechtersformule van kracht. Aan de hand van deze formule wordt de hoogte van de ontslagvergoeding berekend.

 

Voor de werkgever is het belangrijk goed op de hoogte te zijn van deze formule. Het kan namelijk behoorlijk wat kosten als hij een werknemer wil ontslaan.

De formule bestaat uit drie componenten die met elkaar worden vermenigvuldigd om de hoogte van de ontslagvergoeding te berekenen.

Vergoeding = A x B x C

A is het aantal gewogen dienstjaren van de werknemer.
B is de beloning (brutomaandsalaris).
C is de correctiefactor.

 

Wat is er veranderd op 1 januari 2009?

De kantonrechtersformule is op de volgende punten aangepast:
• wegen van dienstjaren bij het bereken van een vergoeding;
• meer aandacht voor bijzondere omstandigheden;
• meer maatwerk voor werknemers die tegen hun pensioen aan zitten;
• toepassing van de kantonrechtersformule bij korte dienstverbanden.

 

Wegen van dienstjaren bij het bereken van een vergoeding

Voortaan tellen gewerkte jaren op jonge leeftijd minder zwaar mee. Gewerkte jaren op oudere leeftijd tellen nog steeds zwaarder, maar de grenzen verschuiven.
• Een half maandsalaris voor elk gewerkt jaar onder de 35 jaar.
• Eén maandsalaris voor elk gewerkt jaar tussen 35 en 45 jaar.
• Anderhalf maandsalaris voor elk gewerkt jaar tussen 45 en 55 jaar.
• Twee maandsalarissen voor elk gewerkt jaar na 55 jaar.

 

Meer aandacht voor bijzondere omstandigheden

Er is meer ruimte gekomen om te kijken naar bijzondere omstandigheden van het geval. Het zijn juist die bijzondere omstandigheden waar het vaak om gaat in de onderhandelingen tussen werknemer en werkgever en in de rechtszaal.

De werkgever kan de ontslagvergoeding verlagen door de arbeidsmarktpositie van zijn werknemers te verbeteren. Als hij aan de kantonrechter kan aantonen dat hij zijn werknemers bijvoorbeeld regelmatig training of scholing heeft aangeboden, kan de C-factor in zijn voordeel uitvallen.

 

Correctiefactor

De C in de rekensom wordt bepaald door vragen als:
• door wie komt het dat de verhoudingen zijn verstoord;
• is het disfunctioneren aan de werknemer te wijten of aan de werkgever;
• is de werknemer niet gaan re-integreren omdat hij niet wilde of omdat de werkgever onmogelijke eisen stelde;
• heeft de werknemer al een andere baan of heeft hij er een concreet uitzicht op;
• hoe is de arbeidsmarktpositie van de werknemer (leeftijd, opleiding, kwalificaties enzovoort);
• hoe is de financiële positie van de werkgever (kan hij een vergoeding betalen).

 

Meer maatwerk voor werknemers die tegen hun pensioen aan zitten

Volgens de oude aanbeveling is de vergoeding voor een oudere werknemer afgetopt tot het bedrag dat hij verdiend zou hebben als hij tot zijn 65ste had doorgewerkt. Omdat tegenwoordig de pensioenleeftijd nogal kan verschillen, kijken kantonrechters nu bij oudere werknemers naar de leeftijd waarop zij naar verwachting met pensioen zouden zijn gegaan als ze in dienst waren gebleven.

Is het verlies aan inkomsten als gevolg van het ontslag minder dan de vergoeding volgens de kantonrechtersformule, dan wordt de vergoeding gelijk aan het bedrag van de inkomstenderving. De bijzondere omstandigheden (de C in de rekensom) blijven hierbij van belang.

 

Toepassing van de kantonrechtersformule bij korte dienstverbanden

De kantonrechtersformule is voortaan ook van toepassing op korte dienstverbanden. Als er sprake is van een tijdelijke arbeidsovereenkomst zonder tussentijdse mogelijkheid van opzegging, is de vergoeding in principe gelijk aan het salaris over de nog resterende periode. In alle andere gevallen wordt de vergoeding op de normale manier berekend.

 

Bron: Personeel

ING stelt 300 miljoen beschikaar aan MKB

ING gaat 300 miljoen euro beschikbaar te stellen aan het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (MKB), in de vorm van leningen. Zij heeft dit geld aangetrokken van de Europese Investeringsbank (EIB).

ING gaat 300 miljoen euro beschikbaar te stellen aan het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (MKB), in de vorm van leningen. Zij heeft dit geld aangetrokken van de Europese Investeringsbank (EIB).

 

ING beweert de eerste Nederlandse bank te zijn die geld van de EIB beschikbaar stelt aan het MKB in Nederland. Het krediet is bedoeld voor bedrijven met minder dan 250 mensen in dienst en wordt verstrekt onder gunstige voorwaarden.
 
Uit het slop
Eerder maakte de EIB al bekend de kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf te vergroten om de Europese economie uit het slop te trekken. De EIB is in handen van de lidstaten van de Europese Unie.

 

Bron: ANP

Fiscalist was niet in dienstbetrekking

Rechtspraak over het wel of niet aanwezig zijn van een dienstbetrekking is zeer feitelijk van aard.

Onlangs oordeelde Rechtbank Haarlem nog dat een fiscalist die werkzaam was als adviseur bij een belastingadvieskantoor niet in dienstbetrekking was, maar als ondernemer moest worden aangemerkt.

Rechtspraak over het wel of niet aanwezig zijn van een dienstbetrekking is zeer feitelijk van aard.

 

Onlangs oordeelde Rechtbank Haarlem nog dat een fiscalist die werkzaam was als adviseur bij een belastingadvieskantoor niet in dienstbetrekking was, maar als ondernemer moest worden aangemerkt.
De fiscalist had tot 1 juni 2003 bij de Belastingdienst gewerkt. Na die datum was hij samen met een andere partner een maatschap gestart waarin hij als belastingkundige werkte. Een van zijn opdrachtgevers was een belastingadvieskantoor waar de fiscalist het overgrote deel van 2003 voor werkte. Voor dat kantoor werkte hij als ‘of counsel’ (extern adviseur). Het kantoor werkte samen met meerdere ‘of counsels’ en dat waren oud-partners van het kantoor. De vraag was of de fiscalist in dienstbetrekking werkzaam was. De fiscalist voerde voor de rechter aan dat er geen sprake was van een dienstbetrekking, omdat hij als zelfstandig ondernemer opereerde. De rechter toetste de situatie aan de voorwaarden voor ondernemerschap.
Ondernemerschap
Volgens de rechter stond vast dat de fiscalist voldoende zelfstandig opereerde ten opzichte van het kantoor. Hij nam geen deel aan de bij het kantoor gebruikelijke regelingen inzake pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Bovendien vond de rechter het aannemelijk dat de fiscalist zich niet wilde binden en dat daarom was gekozen voor de positie van extern adviseur. Uit de overeenkomst die tussen het kantoor en de fiscalist was afgesloten bleek niet dat het kantoor bevoegd was de fiscalist instructies en aanwijzingen te geven. Hierdoor was er geen sprake van een gezagsverhouding tussen partijen. Het feit dat de fiscalist zich naar klanten van het kantoor niet bekendmaakte als zelfstandige en ook geen melding maakte van zijn eigen kantooradres vond de rechter hierbij niet van belang. Vaststond namelijk dat de fiscalist zich naar het kantoor en de andere opdrachtgevers wél als zelfstandige presenteerde. Conclusie was dan ook dat de fiscalist niet in dienstbetrekking tot het kantoor stond.
Bronnen:
• Rechtbank Haarlem, 30 januari 2009, nr. 08/3992