‘Belgische fiscus belast Nederlandse pensionado’s extra’

Bij belastingadviseurs regent het klachten van Nederlandse aow’ers die van hun pensioen willen genieten in België. Zij krijgen van de Belgische fiscus forse aanslagen.

Bij belastingadviseurs regent het klachten van Nederlandse aow’ers die van hun pensioen willen genieten in België. Zij krijgen van de Belgische fiscus forse aanslagen.

Een van de gepensioneerden beklaagt zich in de Telegraaf over aanslagen die twee- tot achtmaal zo hoog zijn als in Nederland. Bovendien zouden ze niet kloppen en niet aantoonbaar zijn.

 

Tegenstrijdig

Het gaat vooral om lokale administraties, onder andere van de gemeenten Lommel en Maaseik. Volgens deze regionale afdelingen moeten over de Nederlandse pensioenen met terugwerkende kracht forse belasting worden geheven. Volgens de gedupeerden is dit in strijd met belastingverdragen én series gevoerde rechtszaken.

 

Verstrikt

In het voorjaar 2008 kwam de eerste aanslag. Over de drie jaren ervoor werd een aanvullende ‘gemeentebelasting’ zes tot negen procent opgeëist. Daarna kwamen de naheffingen voor de inkomstenbelasting en dubbele heffingen over erfenissen.

Ondanks alle aanslagen en naheffingen, mogen Nederlanders in België niet klagen. Volgens belastingadviseur Peter van Limpt zijn Nederlanders bij onze Zuiderburen netto altijd nog goedkoper uit. ‘Mits ze niet te veel verstrikt raken in bureaucratische regeltjes.’

Aanspraak is belastbaar

Pensioenregeling met mogelijkheid tot afkoop is geen pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting, zo oordeelde Rechtbank Breda in deze zaak.

Pensioenregeling met mogelijkheid tot afkoop is geen pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting, zo oordeelde Rechtbank Breda in deze zaak.

 

Casus

Een uit het buitenland afkomstige man (de werknemer) is vanaf 1 juni 1996 werkzaam bij een in Nederland gevestigde besloten vennootschap (BV). Tot 1 juni 2002 werkt hij daar op basis van een uitzendcontract met een in het buitenland gevestigd bedrijf. Vanaf 1 juni 2002 heeft hij een (Nederlandse) arbeidsovereenkomst met de BV.

De werknemer heeft vanaf 1 juni 1996 tot en met 2004 via de pensioenregeling van het buitenlandse bedrijf een pensioen opgebouwd bij een in het buitenland gevestigde pensioenverzekeraar. In de pensioenregeling is onder meer bepaald dat een deel van het pensioen kan worden afgekocht.

Voor het jaar 2004 heeft de inspecteur een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij heeft hij de door de BV voor de man betaalde pensioenpremies tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. In bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. De werknemer heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

 

Geschil

Het gaat in deze zaak om de vraag of de betaalde pensioenpremies terecht zijn aangemerkt als belastbaar loon. De inspecteur vindt vanzelfsprekend van wel. De man is het daarmee niet eens.

 

Beoordeling

De rechtbank beoordeelt allereerst of de pensioenregeling voldoet aan de in de Nederlandse wet (op de loonbelasting (LB)) gestelde eisen.

In artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet LB is bepaald dat aanspraken ingevolge een pensioenregeling, een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet gestelde normeringen en beperkingen, niet tot het loon behoren. De rechtbank is van oordeel dat de pensioenregeling van de werknemer niet voldoet aan deze normeringen en beperkingen. Immers, in de pensioenregeling van de werknemer is geen verbod op afkoop, vervreemding of prijsgeven als bedoeld in artikel 18, eerste lid, letter b, van de Wet LB opgenomen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Wet LB daarom geen grond biedt om de aanspraak niet tot het fiscale loon te rekenen.

Vervolgens beoordeelt de rechtbank de vraag of het belasten van de aanspraak in strijd is met artikel 39, eerste en tweede lid, van het EG-Verdrag (vrij verkeer van werknemers en discriminatieverbod). Van discriminatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat zowel voor Nederlandse werknemers als voor uit het buitenland afkomstige werknemers dezelfde voorwaarden gelden voor belastingheffing van pensioenpremies.

Voor wat betreft een eventuele belemmering in het vrije verkeer van werknemers ten gevolge van de verschillen in nationale bepalingen omtrent pensioen heeft Nederland voldoende maatregelen getroffen. In artikel 19b van de Wet LB en het daarop gebaseerde Besluit is namelijk voor uitgezonden werknemers de mogelijkheid opgenomen om hun buitenlandse pensioenregelingen nog 5 jaar voort te zetten.

Kortom, de inspecteur heeft een juiste aanslag opgelegd.

 

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 

 

Bron: Rechtbank Breda, d.d. 6-04-2009, AWB 07/113 >>

Inkoopregeling AOW van 5 naar 10 jaar

Mensen die over een onvolledige AOW-opbouw beschikken, krijgen langer de tijd om te beslissen of ze extra AOW willen inkopen.

De periode wordt verlengd van 5 naar 10 jaar.

Mensen die over een onvolledige AOW-opbouw beschikken, krijgen langer de tijd om te beslissen of ze extra AOW willen inkopen.

 

De periode wordt verlengd van 5 naar 10 jaar. De regeling geldt voor mensen die na hun 15e verjaardag voor het eerst in Nederland komen wonen of werken.

 

Mensen bouwen in Nederland een AOW pensioen op tussen 15 en 65 jaar: 2 procent voor ieder jaar dat iemand in Nederland woont of werkt. Mensen die na hun 15de voor het eerst in Nederland komen wonen of werken, krijgen te maken met een onvolledige opbouw. Met de inkoopregeling AOW krijgen mensen langer de tijd om te beslissen of zij dit tekort vanaf hun 15e verjaardag tot zij in Nederland kwamen, willen aanvullen.

 

Het kabinet streeft ernaar de nieuwe regel op 1 januari 2010 in te laten gaan.

Bron: SVB >>

Voor aftrek lijfrentepremie wegens pensioentekort is goede onderbouwing vereist

Bij een tekort in de pensioenopbouw kunt u in beginsel een bedrag aan lijfrentepremie in aftrek brengen. De extra lijfrentepremieaftrek wegens een tekort in de pensioenopbouw is afhankelijk van jaarlijkse pensioenaangroei. Een pensioenuitvoerder is verplicht om een werknemer eens per jaar een overzicht met daarop aangegeven de pensioenaangroei van het voorafgaande jaar (ook wel bekend als “factor A”) toe te zenden

 

Volledig bericht

Lijfrentepremies die u betaalt voor bijvoorbeeld een oudedagsvoorziening kunt u onder voorwaarden in aftrek brengen op het inkomen. Als u kunt aantonen dat u een pensioentekort heeft (jaarruimte) of dat u in de voorgaande zeven jaren lijfrentepremies had kunnen aftrekken maar die aftrekmogelijkheid niet (volledig) heeft benut (reserveringsruimte), dan bestaat recht op een lijfrentepremieaftrek. Voor 2009 bedraagt het maximumbedrag voor de jaarruimte € 26.490 en het maximumbedrag voor de reserveringsruimte bedraagt € 6.703. Voor mensen die op 1 januari 2009 van 55 jaar en ouder zijn wordt laatstgenoemd maximumbedrag verhoogd tot € 13.238.

De extra lijfrentepremieaftrek wegens een tekort in de pensioenopbouw is afhankelijk van jaarlijkse pensioenaangroei.  Een pensioenuitvoerder is verplicht om een pensioenverzekerde eens per jaar een overzicht met daarop aangegeven de pensioenaangroei van het voorafgaande jaar (ook wel bekend als “factor A”) toe te zenden. De pensioenaangroei moet daarbij uitsluitend zijn terug te voeren op de extra pensioengevende diensttijd in het voorafgaande jaar en niet op andere factoren zoals bijvoorbeeld inkoop van dienstjaren.

De formule voor de jaarruimte luidt in zijn grondvorm: maximaal 17% van de ‘premiegrondslag’ -/- 7,5 maal “factor A” -/- bepaalde dotaties aan fiscale oudedagsreserve -/- het bedrag dat aan spaarloon is opgenomen voor voldoening van vrijwillig te betalen premies voor een pensioenregeling. Onder omstandigheden kan de berekening van de jaarruimte een ingewikkelde aangelegenheid zijn. Uit de formule blijkt dat hoe hoger factor A is, hoe minder ruimte overblijft voor de extra lijfrentepremieaftrek wegens pensioentekort.

Voor het in aftrek kunnen brengen van een lijfrentepremie wegens pensioentekort moet men het pensioentekort en de voor de berekening daarvoor noodzakelijk gegevens (waaronder de jaarlijkse pensioenaangroei) aannemelijk kunnen maken. In voorkomende gevallen kan men zijn recht op lijfrentepremieaftrek pas echt effectueren als men inzichtelijke bewijsstukken (van bijvoorbeeld de pensioenuitvoerder) daartoe overlegt. Illustratief hiervoor zijn de recent gepubliceerde uitspraken van Rechtbank Haarlem en in hoger beroep Hof Amsterdam.
 
In de betreffende procedure had de man bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 een bedrag van € 612 aan lijfrentepremie wegens pensioentekort in aftrek gebracht. Het bedrag van € 612 was opgebouwd uit twaalf maandpremies van € 51 voor een bijspijkerpensioen afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij.
 
Bij het regelen van de aanslag over 2004 weigerde de inspecteur de lijfrentepremieaftrek omdat geen berekening van de jaarruimte was toegezonden. Rechtbank Haarlem volgde hierin de inspecteur. De man had weliswaar de rechtbank een brief toegezonden met daarin gegevens over de jaarlijkse pensioenaangroei over 2004, maar de benodigde bewijsstukken ontbraken. Pas in hoger beroep voor Hof Amsterdam overlegde de man wel de vereiste bewijsstukken en kon hij uiteindelijk de lijfrentepremie in aftrek brengen.

Opmerking
De berekening van de jaarruimte kan in voorkomende gevallen gecompliceerd zijn, met name als men nog niet de beschikking heeft over de opgaaf van zijn pensioenverzekeraar van zijn pensioenaangroei. Voor fiscaal eenvoudigere gevallen kan een rekenprogramma van de belastingdienst uitkomst bieden. De belastingdienst heeft op zijn site ‘www.belastingdienst.nl’ een hulpprogramma opgenomen voor de berekening van de jaarruimte en/of de reserveringsruimte. Uit de toelichting daarbij volgt dat de belastingdienst een aldus berekende jaarruimte kennelijk eveneens accepteert als maximaal aftrekbaar bedrag, ook indien met behulp van het rekenprogramma de omvang van de pensioenaangroei is berekend. Voor ingewikkelder situaties verdient het aanbeveling om contact op te nemen met uw adviseur.
 
Bron: Rechtbank Haarlem

Pensioendrama voor zzp’ers dreigt

Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) dreigen de armen van de toekomst te worden. De meerderheid van de naar schatting 700.000 Nederlandse zzp’ers heeft in het geheel geen aanvullende pensioenvoorziening of een heel slechte.

DEN HAAG – Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) dreigen de armen van de toekomst te worden. De meerderheid van de naar schatting 700.000 Nederlandse zzp’ers heeft in het geheel geen aanvullende pensioenvoorziening of een heel slechte. Dat zeggen pensioendeskundigen.

 

,,Veel zzp’ers komen als ze ophouden met werken in problemen, omdat ze alleen van een AOW-uitkering moeten rondkomen”, zegt Maarten Post, bestuurder van CNV Zelfstandigen.

Ook Fieke van der Lecq, bijzonder hoogleraar pensioenmarkten aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit, voorziet grote problemen omdat veel zzp’ers hun pensioen niet of onvoldoende geregeld hebben. ,,Maar lang niet alle zzp’ers ervaren het zelf ook als een probleem”, relativeert ze.

Volgens Van der Lecq wordt het hoog tijd dat er oplossingen komen voor de pensioenvoorziening van zzp’ers. Want steeds meer mensen kiezen voor een bestaan als zelfstandige, blijkt uit cijfers van de Kamer van Koophandel. Vorig jaar schreef 89 procent van alle 107.400 startende ondernemers zich in als zzp’er.

Het probleem is dat zzp’ers werknemer en werkgever tegelijk zijn. Ze kunnen daarom niet deelnemen in de klassieke pensioenfondsen. Het alternatief is een dure particuliere pensioenverzekering. ,,De kosten daarvan zijn veel hoger, terwijl de opbrengst veel minder zeker is dan bij een normaal pensioenfonds”, weet Van der Lecq.

Zij en haar collega-onderzoeker Alwin Oerlemans pleiten voor een aanpassing van de wetgeving, zodat ook zzp’ers eigen, collectieve pensioenfondsen kunnen oprichten. Tweede Kamerlid Mei Li Vos (PvdA) steunt dat idee. Tegelijkertijd kunnen ook de verzekeraars bijdragen aan betere pensioenalternatieven voor zzp’ers. Van der Lecq: ,,De meeste verzekeraars hebben vrij simpele producten, zoals lijfrentepolissen. Die zijn weinig flexibel en voor veel zzp’ers te duur. Innovatie van de verzekeraars is broodnodig, want zzp’ers hebben nu geen passende keuzemogelijkheden.”

Een ‘zelfstandige zonder personeel’ kan een kapper zijn, timmerman, journalist of adviseur. Het is iemand die eigen baas is en zijn eigen arbeid verkoopt. Hoeveel zzp’ers er precies zijn in Nederland, is onduidelijk. De schattingen variëren van 200.000 tot één miljoen. Dat komt doordat verschillende definities worden gebruikt. FNV Zelfstandigen schat het aantal zzp’ers op 600.000 tot 700.000. Wel duidelijk is dat er steeds meer nieuwe zzp’ers bijkomen.

Volgens cijfers van de Kamer van Koophandel Nederland schreven zich in het jaar 2004 59.600 nieuwe zzp’ers in. Vorig jaar waren dat er maar liefst 95.600; een stijging van 60 procent in vijf jaar tijd.