Wachtdagen bij ziekte mogelijk?

Het is inderdaad mogelijk de eerste twee ziektedagen als zogenoemde wachtdagen aan te merken. Over deze dagen bestaat voor de werknemer dan geen aanspraak op doorbetaling van zijn loon.

Is het mogelijk de eerste ziektedag(en) voor eigen risico van de werknemer te laten komen?

 

Het is inderdaad mogelijk de eerste twee ziektedagen als zogenoemde wachtdagen aan te merken. Over deze dagen bestaat voor de werknemer dan geen aanspraak op doorbetaling van zijn loon. Voorwaarde is dat werkgever en werknemer dit nadrukkelijk zijn overeengekomen. In de praktijk komt dit maar weinig voor. Als werkgever en werknemer hierover wel afspraken hebben gemaakt betekent dit dat de werkgever bij elk nieuw ziektegeval twee wachtdagen kan rekenen, tenzij dit nieuwe ziektegeval zich voordoet binnen vier weken na het herstel van de werknemer. Er bestaat namelijk een samentelregeling die inhoudt dat perioden van ziekten worden samengeteld als zij elkaar opvolgen met een onderbreking van minder dan vier weken.

Voorbeeld samentelregeling
De werknemer wordt ziek op 1 februari 2008. Op 18 maart 2008 is de werknemer weer hersteld en meldt zich beter. Op 12 april 2008 breekt werknemer zijn been en moet hij zich opnieuw ziek melden. Nu er minder dan vier weken zit tussen de hersteldatum (18 maart) en de nieuwe ziektedatum (12 april) wordt de periode vanaf 1 februari 2008 als één ziekteperiode beschouwd. De twee ziekteperioden worden samengeteld en er kan niet opnieuw sprake zijn van twee wachtdagen. Als de werknemer bijvoorbeeld pas op 1 mei 2008 zijn been breekt, is de periode tussen hersteldmelding en uitval langer dan vier weken en kunnen opnieuw twee wachtdagen worden gerekend.

 

Bron: De SalarisAdviseur >>

Vergoeding voor maaltijden was loon

Werkgevers gaan nogal eens in de fout als het gaat om de onderbouwing van een vaste kostenvergoeding.

Werkgevers gaan nogal eens in de fout als het gaat om de onderbouwing van een vaste kostenvergoeding.
Zo oordeelde Hof Amsterdam onlangs dat een vergoeding aan een werknemer voor maaltijden was belast, omdat niet kon worden aangetoond dat er sprake was van ‘een meer dan bijkomstig belang’.
 
Wat was er aan de hand? Een directeur-grootaandeelhouder (dga) hield zich bezig met bedrijfseconomisch en automatiseringsadvies. In de periode 2000–2004 was de dga uitsluitend voor één bank werkzaam. Die werkzaamheden verrichtte hij ook op het kantoor van die bank. Vanuit zijn bv ontving hij maandelijks een vaste kostenvergoeding van € 730 waarin een bedrag van € 511 was opgenomen voor maaltijdkosten. De dga kocht regelmatig eten bij een eetsalon of fastfoodketen om vervolgens deze maaltijden op zijn werkplek ’s avonds op te eten. De inspecteur was van mening dat er geen sprake was van een zakelijke maaltijd en dat de vergoeding die hierop zag als loon moest worden belast.
 

Oude maaltijdenregeling
De zaak speelde zich af vóór 2007 toen de oude maaltijdenregeling nog gold. Onder die oude wetgeving was een vergoeding of verstrekking van maximaal tachtig maaltijden per jaar onbelast als de vergoeding of verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter had. In het Handboek Loonheffingen 2002, 2003 en 2004 stond hierover opgenomen dat dit bijvoorbeeld het geval kon zijn bij al dan niet verwacht overwerk of koopavonden of tijdens dienstreizen. Het ging hierbij om situaties waarin de werknemer niet op een gewone tijd (tussen 17.00 en 20.00 uur) kon eten. De dga voerde deze passage in hoger beroep aan, maar het hof vond dat uit zowel de tekst als de strekking niet kan worden afgeleid dat een tussen 17.00 en 20.00 uur genuttigde maaltijd zonder meer een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. 

 
Commerciële functie
De dga voerde ook nog aan dat het kopen en/of nuttigen van de maaltijden een commerciële functie had. Dit was volgens het hof echter onvoldoende om het zakelijk belang aan te tonen. Het feit dat de dga de broodjes kocht in gezelschap van andere werknemers van de bank en deze vervolgens in dezelfde ruimte opat was onvoldoende. Tot slot was er ook geen sprake van een kantine of andere ruimte waar de maaltijden werden genuttigd. De kantineregeling kon dus ook niet van toepassing zijn. De naheffingsaanslag loonbelasting bleef in stand.
 
Bronnen:
• Hof Amsterdam, 11 juni 2009, nr. 08/00051, LJN: BJ0692 >>
• De SalarisAdviseur >>

Geen bestuurdersaansprakelijkheid als betalingsproblemen ontvanger bekend zijn

Als een rechtspersoon zoals een bv bepaalde belastingen (waaronder de loonbelasting en de omzetbelasting) niet meer kan betalen, dan is die vennootschap verplicht dat direct aan de ontvanger van de belastingdienst te melden. De meldingsplicht vervalt echter vanaf het moment dat de ontvanger van de betalingsonmacht op de hoogte komt.

Als een rechtspersoon zoals een bv bepaalde belastingen (waaronder de loonbelasting en de omzetbelasting) niet meer kan betalen, dan is die vennootschap verplicht dat direct aan de ontvanger van de belastingdienst te melden. De meldingsplicht vervalt echter vanaf het moment dat de ontvanger van de betalingsonmacht op de hoogte komt. Elk van de bestuurders van de vennootschap is bevoegd om namens die vennootschap aan die verplichting te voldoen. Na het hebben voldaan aan de meldingsplicht van betalingsonmacht kan een bestuurder alleen nog aansprakelijk worden gesteld voor de onbetaald gebleven belastingschulden van de vennootschap voor zover de betalingsonmacht voortvloeit uit aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bewijslast hiervoor ligt bij de ontvanger. Hof Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat twee bestuurders van in financiële moeilijkheden geraakte bv de betalingsonmacht niet meer hoefde te melden, omdat de ontvanger vanwege herhaaldelijk verzonden aanmaningen, dwangbevelen en faxverkeer over en weer op de hoogte was van betalingsproblemen van de bv. Het hof was verder van mening dat de ontvanger niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was geweest van onbehoorlijk bestuur van de bestuurders en vernietigde de aansprakelijkstelling.

 

Volledig bericht

Een bestuurder van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam zoals een bv kan onder omstandigheden aansprakelijk worden gesteld voor bepaalde belastingen (waaronder loonbelasting en omzetbelasting) en premies sociale verzekeringen die het door hem bestuurde lichaam is verschuldigd maar welke niet is betaald. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden:

  1. Het lichaam heeft de plicht om tijdig melding te doen van betalingsonmacht. Ieder van de bestuurders van het lichaam is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Indien de betalingsonmacht correct en tijdig is gemeld, kan de bestuurder slechts nog aansprakelijk worden gesteld als sprake is van hem te wijten ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’. De ontvanger van de belastingdienst moet dit dan aannemelijk zien te maken. De aansprakelijkheid werkt terug tot drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van de melding.
    De meldingsplicht vervalt vanaf het moment dat de ontvanger van de betalingsonmacht op de hoogte komt, zo is door de Hoge Raad in een arrest uit 1994 beslist.
  2. Het lichaam heeft geen (juiste) melding van betalingsonmacht gedaan. In dat geval is elk van de bestuurders aansprakelijk en wordt vermoed dat de niet betaling aan de bestuurder(s) is te wijten. Ook hier geldt een aansprakelijkheid voor een periode van drie jaar die aanvangt op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is met de meldingsplicht. De bestuurder heeft echter de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan.

Hof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een (middellijk) bestuurder van een bv en een houdstervennootschap als medebestuurder terecht aansprakelijk waren gesteld voor door die bv onbetaald gelaten (naheffings)aanslagen loonbelasting en omzetbelasting in de periode van januari tot en met november 2005. De bv had geconstateerd dat in de loop van 2004 de kosten sneller toenamen dan de omzet en dat deze uiteindelijk groter werden dan de omzet. De bv was vervolgens in de tweede helft van 2004 overgegaan tot kostensanering die met name betrekking hadden op de personeelskosten. Op 23 mei 2005 zond de (middellijk) bestuurder van de bv een fax aan de ontvanger met de mededeling dat een derde belangstelling had voor de activa van de bv en dat de bv met de opbrengsten daarvan de belastingschulden wilde voldoen. Het resterende openstaande bedrag zou binnen een maand worden voldaan. De bestuurder zond de ontvanger daarvoor een aantal kopiefacturen als onderpand. De ontvanger zond kort daarna een fax terug dat hij onder voorwaarden akkoord ging met het aanbod en dat hij bereid was het gelegde beslag op de roerende zaken van de bv op te heffen.
 
In januari 2006 ging de bv failliet. Op 18 mei 2006 stelde de ontvanger de (middellijk) bestuurder en de houdstervennootschap als bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de onbetaalde gebleven (naheffings)aanslagen, omdat de bv niet aan haar meldingsplicht had voldaan. De bestuurders stelden dat de aansprakelijkstelling onterecht was en maakten daartegen vergeefs bezwaar. Ook Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de bestuurders ongegrond. De bestuurders stelden daarop hoger beroep in bij Hof Den Haag.
 
Het hof stelde vast dat de bestuurders de betalingsonmacht van de bv niet hadden gemeld. Het hof wees vervolgens op twee arresten van de Hoge Raad. Daarin had de Hoge Raad aangegeven, dat de melding ook op andere wijze dan schriftelijk kan worden gedaan en dat de meldingsplicht vervalt wanneer de ontvanger op andere wijze op de hoogte komt van de betalingsonmacht van de belastingplichtige.
 
Uit de feiten van het onderhavige geval leidde het hof af dat de ontvanger op de hoogte moest zijn geweest van de betalingsonmacht van de bv. Het hof leidde dit af uit de niet succesvolle invorderingsmaatregelen van de ontvanger in de vorm van aanmaningen en dwangbevelen en het faxverkeer tussen de (middellijk) bestuurder en de ontvanger. Het hof achtte het verder erg waarschijnlijk dat naast het faxverkeer meer schriftelijke contacten zouden zijn geweest over de betaling en/of afwikkeling van de verschuldigde belasting. Dit moet het beeld van de ontvanger over de slechte financiële positie van de bv en de daaruit voortvloeiende betalingsonmacht hebben gesterkt.

Op grond van deze omstandigheden verviel de meldingsplicht van betalingsonmacht en kon de ontvanger alleen nog met succes de (middellijk) bestuurder en de houdstervennootschap als bestuurders aansprakelijk stellen, als hij aannemelijk wist te maken dat het onbetaald blijven van de belastingschulden het gevolg zou zijn van onbehoorlijk bestuur van beide bestuurders. Het hof vond dat de ontvanger daarin niet was geslaagd en vernietigde daarop de beschikking aansprakelijkstelling.
 
Bron: Hof Den Haag, 16-6-2009, nr. 08/00276 (gepubliceerd 16-7-2009).

Rechter: aanvragen VAR ook mogelijk voor buitenlandse belastingplichtigen

Rechtbank Breda heeft onlangs beslist dat buitenlandse belastingplichtigen ook een verklaring arbeidsrelatie (VAR) bij de Belastingdienst kunnen aanvragen.

Rechtbank Breda heeft onlangs beslist dat buitenlandse belastingplichtigen ook een verklaring arbeidsrelatie (VAR) bij de Belastingdienst kunnen aanvragen. De VAR is met name bedoeld om aan opdrachtgevers duidelijkheid te geven of zij over de vergoeding aan de opdrachtnemer loonbelasting/premie volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen moeten inhouden en afdragen.

De rechtbank gaf daarbij wel aan dat door middel van de VAR formeel geen uitspraak wordt gedaan over de vraag of de heffing over de inkomsten van de aanvrager moet worden toegerekend aan het buitenland of aan Nederland.

 

De procedure betrof een in België woonachtige ziekenverzorgster van wie alle klanten in Nederland woonden. De ziekenverzorgster vroeg voor 2009 een VAR-winst aan. Voor 2008 beschikte zij ook over een VAR-winst en er waren geen wijzigingen ten opzichte van het jaar 2008 opgetreden. De ziekenverzorgster huurde in 2008 in het huis van haar schoonmoeder in Nederland een kamer waarin zij een deel van de administratieve werkzaamheden verrichtte en die ook als uitvalsbasis fungeerde om haar klanten te bezoeken. De Belastingdienst weigerde echter om een VAR af te geven. Reden hiervoor was dat de kamer in Nederland niet als vaste inrichting zou kwalificeren, zodat de ziekenverzorgster geen in Nederland te belasten winst behaalde. De zaak kwam voor Rechtbank Breda. De rechtbank verklaarde het beroep van de ziekenverzorgster gegrond en droeg de inspecteur op om alsnog een VAR voor 2009 af te geven.

 

Volledige bericht PwC Belastingnieuws: klik hier.>>

30%-regeling vervalt bij meer dan drie maanden tussen twee banen

Voor werknemers uit het buitenland die beschikken over expertise die in Nederland schaars is, geldt de 30-procentsregeling: de werkgever mag 30 procent van het brutoloon belastingvrij uitbetalen.

Voor werknemers uit het buitenland die beschikken over expertise die in Nederland schaars is, geldt de 30-procentsregeling: de werkgever mag 30 procent van het brutoloon belastingvrij uitbetalen. De regeling kan doorlopen als de werknemer een andere werkgever krijgt. Dat is geen automatisme; de nieuwe werkgever moet er wel om vragen. Als de werknemer er meer dan drie maanden over doet om een nieuwe baan te vinden, vervalt de regeling in elk geval.
Dat deze bepaling geen dode letter is, bewijst een uitspraak van de rechtbank te Breda van 29 juli 2009. De betrokken werknemer was een arts. In 2007 verkaste ze van het ene ziekenhuis naar het andere, maar in de tussentijd was ze wel meer dan drie maanden zonder baan. De rechtbank wees op de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting, waarin de 30-procentsregeling is opgenomen. Daar wordt geconstateerd dat een werknemer die er langer dan drie maanden over doet om een nieuwe baan te vinden, kennelijk toch niet over schaarse deskundigheid beschikt.