Inkoopregeling AOW van 5 naar 10 jaar

Mensen die over een onvolledige AOW-opbouw beschikken, krijgen langer de tijd om te beslissen of ze extra AOW willen inkopen.

De periode wordt verlengd van 5 naar 10 jaar.

Mensen die over een onvolledige AOW-opbouw beschikken, krijgen langer de tijd om te beslissen of ze extra AOW willen inkopen.

 

De periode wordt verlengd van 5 naar 10 jaar. De regeling geldt voor mensen die na hun 15e verjaardag voor het eerst in Nederland komen wonen of werken.

 

Mensen bouwen in Nederland een AOW pensioen op tussen 15 en 65 jaar: 2 procent voor ieder jaar dat iemand in Nederland woont of werkt. Mensen die na hun 15de voor het eerst in Nederland komen wonen of werken, krijgen te maken met een onvolledige opbouw. Met de inkoopregeling AOW krijgen mensen langer de tijd om te beslissen of zij dit tekort vanaf hun 15e verjaardag tot zij in Nederland kwamen, willen aanvullen.

 

Het kabinet streeft ernaar de nieuwe regel op 1 januari 2010 in te laten gaan.

Bron: SVB >>

Belastingdienst publiceert nieuwe lijst cao-codes

Per 1 juli 2009 zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd in de lijst met cao-codes. Er zijn nieuwe codes toegevoegd en sommige codes hebben een andere naam gekregen

Per 1 juli 2009 zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd in de lijst met cao-codes. Er zijn nieuwe codes toegevoegd en sommige codes hebben een andere naam gekregen.

 

Deze wijzigingen zijn van belang bij het doen van de aangifte loonheffingen.

Na wijzigingen per 1 augustus 2008 en 1 januari 2009 zijn per 1 juli 2009 opnieuw diverse nieuwe cao-codes geïntroduceerd. Deze nieuwe codes hoeven pas te worden gebruikt voor aangiftetijdvakken met een begindatum op of na 1 juli 2009. Deze cao-codes hoeven dus niet gecorrigeerd te worden in eerdere loonaangiftes.

De aangepaste cao-codelijst kunt u vinden op de website van de Belastingdienst.

Bron: De Belastingdienst >>

Donner zet maximering ontslagvergoeding door

Minister Donner (SZW) houdt vast aan zijn uitleg van het akkoord met werkgevers en vakbonden over aftopping van ontslagvergoedingen.

Minister Donner (SZW) houdt vast aan zijn uitleg van het akkoord met werkgevers en vakbonden over aftopping van ontslagvergoedingen.

 

De CDA-bewindsman schrijft donderdag in een brief aan de Tweede Kamer dat hij zijn wetsvoorstel over maximering van gouden handdrukken in overleg met sociale partners alleen heeft “verduidelijkt”.

Volgens het akkoord dat het kabinet, werkgevers en vakbonden in het najaar van 2008 hebben gesloten, wil Donner regelen dat mensen met een jaarinkomen vanaf 75.000 euro maximaal een jaarsalaris meekrijgen bij ontslag. Maar de Kamer had de minister in maart gevraagd opnieuw met sociale partners om tafel te gaan. De vakcentrales FNV en CNV klaagden dat Donner zich niet aan de afspraken hield en hun onderhandelingsvrijheid te veel inperkte.

Volgens Donner moeten rechters straks de maximale vergoeding toekennen, zoals die in de wet komt te staan. Dat geldt ook in de gevallen dat werkgevers en werknemers onderlinge afspraken hebben gemaakt over een hogere gouden handdruk. Dit stuitte de vakbeweging tegen de borst. Maar werkgevers en Donner hebben altijd gezegd dat bij individuele afspraken over ontslag en sociale plannen voor reorganisaties er in principe geen rechter aan te pas komt en dus ook geen problemen worden verwacht.

Wanneer toch een dergelijke zaak wordt voorgelegd aan de rechter kan de werknemer volgens de minister via een civiele procedure alsnog de hogere vergoeding vorderen. In de praktijk vindt volgens hem vaak tijdens dezelfde zitting zowel de ontslag- als de civiele zaak plaats “zodat een en ander snel kan worden kort gesloten”.

(c) ANP 2009 alle rechten voorbehouden

Volledige dienstbetrekking elders leidde tot forse beperking gebruikelijk loon

Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de hoogte van het gebruikelijk loon dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) voor zijn werkzaamheden voor zijn bv bij zijn belastingaangifte over 2004 in aanmerking moest nemen.

Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de hoogte van het gebruikelijk loon dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) voor zijn werkzaamheden voor zijn bv bij zijn belastingaangifte over 2004 in aanmerking moest nemen. De dga was op 9 april 2004 voltijds in dienst getreden bij een werkgever. Zijn drukke werkzaamheden daar lieten nog weinig tijd over om te besteden aan zijn bv. Hij overlegde enige weekstaten van zijn dienstverband en ook een verklaring van de werkgever, waarin deze laatste aangaf dat het zonder officiële toestemming medewerkers niet was toegestaan om nevenactiviteiten te verrichten. De dga maakte bezwaar tegen het in aanmerking nemen van 100% van het voor 2004 geldende gebruikelijk loon van € 38.118. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de dga vanaf 9 april 2004 inderdaad nog slechts op beperkte schaal werkzaamheden voor de bv had verricht. De rechtbank verklaarde het beroep van de dga uiteindelijk toch ongegrond. De reden hiervan was dat het door de rechtbank vast te stellen belastbaar bedrag niet zou leiden tot een lager bedrag dan de inspecteur al had vastgesteld.

 

Volledig bericht

Op grond van de gebruikelijkloonregeling in de Wet op de loonbelasting wordt voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen in specifieke situaties een bepaald bedrag aan loon in aanmerking genomen, los van wat feitelijk aan loon wordt uitbetaald. Het betreft de situatie waarin een werknemer arbeid verricht voor een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft of waaraan hij vermogensbestanddelen ter beschikking stelt (waardoor de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is). De gebruikelijkloonregeling komt in de praktijk vooral voor bij bv’s met een directeur-grootaandeelhouder (dga). Een dga moet op grond van de gebruikelijkloonregeling ten minste een loon in aanmerking nemen dat niet in belangrijke mate afwijkt van het loon van vergelijkbare werknemers die geen dga zijn. Hierbij geldt een ondergrens van € 40.000 (jaar 2009) of, indien aannemelijk is dat een lager loon gebruikelijk is bij vergelijkbare werknemers die geen dga zijn, dit lagere loon. In dat geval rust de bewijslast op de dga.
 
Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de hoogte van het gebruikelijk loon dat een dga voor zijn werkzaamheden voor zijn bv bij zijn belastingaangifte over 2004 in aanmerking moest nemen. De zaak was kort weergegeven als volgt.
 
Een man was in 2004 directeur en enig aandeelhouder van een bv. Deze bv hield tot 30 juli 2004 50% van de aandelen in een andere vennootschap. Op die datum werden de aandelen in de vennootschap geleverd aan een derde vennootschap.
 
Op 9 april 2004 was de dga voltijds in loondienst bij een werkgever getreden. Het salaris uit die dienstbetrekking bedroeg over dat jaar € 76.511. De inspecteur legde de dga wegens het ontbreken van zijn aangifte inkomstenbelasting over 2004 een ambtshalve aanslag op met een verzuimboete. Daarbij nam hij een gebruikelijk koon in aanmerking van € 38.118 (het standaardbedrag voor 2004). De dga was echter van mening dat het door de inspecteur in aanmerking genomen gebruikelijk loon op een aanzienlijk lager bedrag moest worden bepaald. Hij gaf onder meer aan dat naast zijn drukke werkzaamheden in zijn dienstverband nog weinig tijd overbleef om te kunnen besteden aan zijn bv. Hij overlegde daartoe enige weekstaten van zijn dienstverband en ook een verklaring van de werkgever, waarin deze aangaf dat het zonder officiële toestemming medewerkers niet was toegestaan om nevenactiviteiten te verrichten.
 
De rechtbank stelde voorop dat de bewijslast bij de dga lag om aannemelijk te maken dat een lager gebruikelijk loon van toepassing was dat het wettelijk (standaard)bedrag van € 38.118.  Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend vond de rechtbank dat de dga erin was geslaagd om aannemelijk te maken dat hij vanaf 9 april 2004 inderdaad nog slechts op beperkte schaal werkzaamheden voor de bv had verricht. Voor de periode tot 9 april 2004 moest wel het volledige gebruikelijk loon naar evenredigheid in aanmerking worden genomen.
 
De rechtbank verklaarde het beroep van de dga daarom uiteindelijk toch ongegrond. Ook al was namelijk het beroep inhoudelijk wel gegrond, het gebruikelijk loon over de periode 1 januari tot 9 april 2004 zou echter tezamen met het overige inkomen uit werk en woning niet uitkomen op een lager belastbaar bedrag dan de inspecteur in de belastingaanslag al had vastgesteld.

Bron: Rechtbank Haarlem, 24-6-2009, nr. 08/2404 (gepubliceerd 30-6-2009).

Nieuw Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

Op 2 juli 2009 is het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gepubliceerd in de Staatscourant. Een belangrijke wijziging betreft de verzwaring van de bestuurlijke boete bij het verzwijgen van box 3-inkomen (met name spaargelden in het buitenland).

Op 2 juli 2009 is het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gepubliceerd in de Staatscourant. Een belangrijke wijziging betreft de verzwaring van de bestuurlijke boete bij het verzwijgen van box 3-inkomen (met name spaargelden in het buitenland). De wettelijke vergrijpboete bij deze overtreding is met ingang van 2 juli 2009 verhoogd van maximaal 100% van de grondslag van deze boete naar maximaal 300%. De grondslag is kort gezegd de verschuldigde belasting over het box 3-inkomen zoals deze bij de gewone aanslag of de navorderingaanslag is vastgesteld. Op grond van het nieuwe besluit bedraagt de vergrijpboete bij opzet in beginsel 150% en bij grove schuld 75%. Bij herhaling van de overtreding kan deze boete maximaal worden verdubbeld tot 300% respectievelijk 150%. Verder is ook het verzuimboetebeleid bij (gedeeltelijke) niet of te late betaling van motorrijtuigenbelasting gewijzigd. Het besluit is op 2 juli 2009 in de Staatscourant gepubliceerd en is op 4 juli 2009 in werking getreden.

 

Volledig bericht

Op 2 juli 2009 is het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gepubliceerd in de Staatscourant. De wijzigingen van het besluit vinden onder meer hun wettelijke basis in het wetsvoorstel Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen dat de Eerste Kamer op 30 juni 2009 heeft aangenomen.
 
Een belangrijke wijziging uit het besluit betreft de verzwaring van de bestuurlijke boete bij het verzwijgen van box 3-inkomen (met name spaargelden in het buitenland). De wettelijke vergrijpboete bij deze overtreding is met ingang van 2 juli 2009 verhoogd van maximaal 100% van de grondslag van deze boete naar maximaal 300%. De grondslag is kort gezegd de verschuldigde belasting over het box 3-inkomen zoals deze bij de gewone aanslag of de navorderingaanslag is vastgesteld.
 
Ingeval de inspecteur bij het vaststellen van een gewone aanslag een vergrijpboete oplegt, bedraagt de boete in geval van opzet in beginsel 150% van de grondslag. Ingeval de inspecteur bij het vaststellen van een navorderingsaanslag een vergrijpboete oplegt, bedraagt de boete in geval van grove schuld in beginsel 75% van de grondslag en in geval van opzet 150% van de grondslag. Bij herhaling van de overtreding kan de vergrijpboete maximaal worden verdubbeld tot 150% bij grove schuld (alleen bij navorderingsaanslagen) en tot 300% bij opzet.
 
Verder is onder meer het verzuimboetebeleid bij (gedeeltelijke) niet of te late betaling van motorrijtuigenbelasting gewijzigd.
 
Het besluit is op 2 juli 2009 in de Staatscourant gepubliceerd en is op 4 juli 2009 in werking getreden. Het voorgaande besluit van 9 december 2008 is per dezelfde datum ingetrokken.
 
Bron: Ministerie van Financiën, 25-6-2009, nr. CPP2009/1062M; Staatscourant, 2-7-2009, nr. 9896