‘UWV moet stoppen met achtervolgen zelfstandigen’

De Vereniging Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) vindt dat het UWV moet stoppen met de procedures vanwege vermeende uitkeringsfraude door zelfstandigen.

De Vereniging Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) vindt dat het UWV moet stoppen met de procedures vanwege vermeende uitkeringsfraude door zelfstandigen. Ook de Tweede Kamer pleitte vandaag in een debat met minister Donner bijna unaniem voor het tussentijds stoppen van deze fraudezaken en is voor een onafhankelijk onderzoek naar het UWV beleid.

Minister Donner wil echter voorlopig nog van geen wijken weten. De gedupeerden vinden de uitkomsten van het debat frustrerend. “Hoezo bevorderen van het starten vanuit een uitkering? Ik heb het gevoel dat mij een gifworst is voorgehouden!” Aldus een gedupeerd PZO lid.

Volstrekt onduidelijk
Enkele duizenden zelfstandigen die vanuit een uitkering startten als ondernemer worden door het UWV als ‘fraudeur’ aangemerkt omdat zij onterecht of teveel WW-uitkering zouden hebben ontvangen. Volgens PZO zijn deze zelfstandigen het slachtoffer geworden van volstrekt onduidelijke regelgeving en onvolledige voorlichting door het UWV.

Onmogelijke bewijslast
Het beleid van de afgelopen jaren was juist opgericht om starten vanuit een uitkering te bevorderen, maar veel zelfstandigen die van de regeling gebruikmaken voelen zich vreselijk genept. Gedupeerden zijn van mening altijd te goeder trouw te hebben gehandeld. Zij moeten nu bij de rechter aantonen dat het UWV hen niet goed heeft geïnformeerd. Een bijna onmogelijke bewijslast.

Uren
Kern van het probleem is dat de zelfstandige die vanuit een uitkering startte alle uren – declarabel en niet-declarabel – die aan de ondernemingsactiviteiten zijn besteed, moest opgeven aan het UWV. Deze uren kunnen volgens de ww-startersregeling niet worden gezien als uren waarover recht bestaat op uitkering. Veel zelfstandigen waren niet op de hoogte hiervan of zijn hierover door het UWV onjuist voorgelicht. Zij gaven aan het UWV alleen de inkomsten uit hun ondernemingsactiviteiten op en nu vordert het UWV de ‘onterecht’ uitgekeerde WW terug.

Aangifte
De teruggevorderde bedragen lopen uiteen van enkele duizenden euro’s per persoon tot soms wel meer dan 100.000 euro. Daarbij hanteert het UWV ook boetes die oplopen tot 2.000 euro. Wat in dit dossier nog extra steekt, is de wijze waarop het UWV met de betrokkenen communiceert. Zij worden zonder al te veel omhaal door het UWV meteen als fraudeur bestempeld en – afhankelijk van het terug te vorderen bedrag – doet het UWV meteen aangifte bij het Openbaar Ministerie.

Niet voldoende aanleiding
Het feit dat het UWV onduidelijke en onvolledige informatie heeft gegeven is voor de Minister geen voldoende aanleiding om nu in te grijpen in het beleid van het UWV. PZO vindt dat minister Donner hier niet zo makkelijk mee weg mag komen en hoopt dat er alsnog een positieve uitkomst voor de gedupeerden in het verschiet ligt. Ook de tweede kamerleden gaven aan nog niet akkoord te gaan, volgende week zal dit debat in de daarom vervolgd worden.

Bron: ANP

Bestelauto bleek geen bestelauto

Wanneer een auto niet voldoet aan de eisen voor toepassing van het bestelautotarief, is een naheffingsaanslag gegrond, ondanks ‘goede trouw’ van de eigenaar. De geringe verwijtbaarheid van de eigenaar geeft wel aanleiding de opgelegde boete te matigen.

Wanneer een auto niet voldoet aan de eisen voor toepassing van het bestelautotarief, is een naheffingsaanslag gegrond, ondanks ‘goede trouw’ van de eigenaar. De geringe verwijtbaarheid van de eigenaar geeft wel aanleiding de opgelegde boete te matigen.

Casus
Een man heeft over het tijdvak 2 januari 2007 tot en met 3 november 2007 motorrijtuigenbelasting voor zijn auto voldaan naar het bestelautotarief.
Bij een controle is geconstateerd dat de auto niet voldeed aan de eisen van artikel 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet). De auto heeft namelijk een overkapping met aan beide zijden ramen, een cabine van 110 cm hoog die is voorzien van een achter de bestuurder in de rijrichting geplaatste bank, alsmede een laadruimte die niet (meer dan) tweemaal de lengte van de cabine heeft.
Aan de man is daarom een naheffingsaanslag (op basis van het verschil tussen het bestelautotarief en het volgens de inspecteur verschuldigde personenautotarief) en een verzuimboete opgelegd.
Geschil
Het gaat in deze zaak om de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Ook is in geschil of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
De man vindt van niet. Hij voert aan dat de auto, toen hij deze (tweedehands) aanschafte, al een grijs kenteken had en dat hij zelf geen veranderingen aan de auto heeft aangebracht. Hij is van mening dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat de auto voor het bestelautotarief in aanmerking kwam. Hij heeft de auto bovendien ook altijd als bedrijfsauto gebruikt.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inrichting van de auto beslissend is voor de vraag welk tarief van toepassing is. Nu de auto is ingericht als personenauto, moest motorrijtuigenbelasting naar het personenautotarief worden betaald.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de motorrijtuigenbelasting een aangiftebelasting is. Daaruit vloeit voort dat de man als houder van het motorrijtuig verantwoordelijk is voor een juiste aangifte en betaling van het juiste bedrag aan belasting.
Vaststaat dat de auto ten tijde van de controle niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van het bestelautotarief.
De door de man aangevoerde omstandigheden – de onjuiste indeling in het kentekenregister en het feit dat de garagehouder de auto als bestelauto heeft verkocht – brengen naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mee dat hij erop mocht vertrouwen dat toch het bestelautotarief van toepassing is.
De rechtbank overweegt dat de toepassing van het (hogere) tarief voor personenauto’s rechtstreeks uit de Wet voortvloeit. Of de man enig verwijt kan worden gemaakt, speelt daarbij geen rol. Evenmin is van belang is dat de man de auto uitsluitend voor de uitoefening van zijn bedrijf heeft gebruikt.
De rechtbank ziet in de door de man aangevoerde omstandigheden wel aanleiding om de opgelegde boete te matigen. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een geringe mate van verwijtbaarheid.
Beslissing
De rechtbank handhaaft de naheffingsaanslag en vermindert de boete.

Bron: Rechtbank ’s-Gravenhage, AWB 08/895 MRB >>

© Jurisprudentie Salarisnet

Moet ik rekening houden met fooien?

Fooien worden fiscaal aangemerkt als zogenoemd ‘loon van derden’. Normaal gesproken hoeft een werkgever fooien niet tot het loon te rekenen voor zover hij bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden geen rekening houdt met het feit dat zijn werknemer fooien ontvangt.

Ik heb onlangs een café geopend en enkele werknemers in dienst genomen. Het komt geregeld voor dat mijn werknemers een fooi ontvangen van de klanten.

Fooien worden fiscaal aangemerkt als zogenoemd ‘loon van derden’. Normaal gesproken hoeft een werkgever fooien niet tot het loon te rekenen voor zover hij bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden geen rekening houdt met het feit dat zijn werknemer fooien ontvangt.

Moet ik deze fooi tot hun loon rekenen bij het invullen van de aangifte loonheffingen of niet?
Fooien worden fiscaal aangemerkt als zogenoemd ‘loon van derden’. Normaal gesproken hoeft een werkgever fooien niet tot het loon te rekenen voor zover hij bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden geen rekening houdt met het feit dat zijn werknemer fooien ontvangt.
Horeca
Binnen de horeca geldt echter een fiscale fictie. Deze stelt dat een werknemer wordt geacht fooien en dergelijke te ontvangen tot een bepaald bedrag. Dat bedrag is gelijk aan het voor de werknemer geldende minimumloon verminderd met het werkelijk van de werkgever ontvangen loon. Dat forfaitair berekende bedrag aan fooien wordt tot het loon gerekend, zodat de werkgever er loonheffing op moet inhouden. Stel bijvoorbeeld dat u een van uw werknemers een brutoloon betaalt van € 360 per maand, terwijl hij recht zou hebben op een brutominimumloon van € 400 per maand. Door de fictie wordt hij dan geacht € 40 per maand aan fooien te ontvangen, zodat de loonheffing toch over in totaal € 400 per maand wordt berekend. Als de werkgever in overeenstemming met de werknemer het genoten bedrag aan fooien hoger schat, mag de werkgever bij de berekening van de loonheffingen van dat hogere bedrag uitgaan. Overigens moet de werknemer in zijn aangifte inkomstenbelasting de ontvangen fooien opgeven tegen het werkelijke bedrag, verminderd met het forfaitaire bedrag aan fooien dat al tot het loon is gerekend.

Bron: Salarisadviseur

Minimumloon per 1 juli 2009 omhoog

De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon stijgen per 1 juli 2009 met 1,26 procent.

De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon stijgen per 1 juli 2009 met 1,26 procent.

Wettelijk bruto minimumloon (WML) voor werknemers van 23 jaar en ouder bij een volledig dienstverband per 1 juli 2009:

•1.398,60 euro per maand
•322,75 euro per week
•64,55 euro per dag

Bron: Ministerie van SZW

Geen dubbele belastingvrije vergoeding voor huisvestingskosten buiten de woonplaats

Door een werknemer gemaakte kosten kunnen namelijk slechts eenmaal belastingvrij worden vergoed. Nu de forfaitaire vergoedingsregeling mede ziet op de door de dienstbetrekking opgeroepen kosten van huisvesting buiten de woonplaats, kunnen diezelfde kosten niet nogmaals belastingvrij worden vergoed, aldus de Hoge Raad.

Belanghebbende, een Zwitser, heeft van mei 2001 t/m oktober 2002 in Nederland in dienstbetrekking gewerkt. Zijn woning in Zwitserland heeft hij aangehouden. De 30%-regeling was op belanghebbende van toepassing. Op grond hiervan heeft hij van zijn werkgever een belastingvrije vergoeding voor extraterritoriale kosten van € 29.312 ontvangen. Daarnaast ontving hij van zijn werkgever een vergoeding van € 28.037 voor de door hem gemaakte kosten van huisvesting in Nederland. In geschil is of aan belanghebbende naast de toepassing van de 30%-regeling een belastingvrije vergoeding kon worden toegekend voor de uitgaven voor huisvesting buiten de woonplaats.
De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Door een werknemer gemaakte kosten kunnen namelijk slechts eenmaal belastingvrij worden vergoed. Nu de forfaitaire vergoedingsregeling mede ziet op de door de dienstbetrekking opgeroepen kosten van huisvesting buiten de woonplaats, kunnen diezelfde kosten niet nogmaals belastingvrij worden vergoed, aldus de Hoge Raad.
(Cassatieberoep ongegrond.)