Bepaling waarde in het economische verkeer

De Wet IB 2001 bepaalt dat de bezittingen en schulden in box 3 gewaardeerd moeten worden op de ‘waarde in het economisch verkeer’.

De Wet IB 2001 bepaalt dat de bezittingen en schulden in box 3 gewaardeerd moeten worden op de ‘waarde in het economisch verkeer’. Een mooi begrip, maar wat houdt het in? Allereerst is van belang te constateren dat de Wet de waarde in het economische verkeer in Nederland bedoelt. Zo zal bijvoorbeeld vermogen dat in het buitenland is geblokkeerd in Nederland, een lagere waarde hebben dan in het desbetreffende land waar het vrij besteedbaar is. De lagere, voor Nederland geldende waarde in het economische verkeer zal dan als maatstaf moeten worden genomen.
Het begrip ‘waarde in het economisch verkeer’ zou omschreven kunnen worden als de prijs voor een object die op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn geboden/betaald. Deze waarde in het economische verkeer lijkt mij niet de prijs te zijn die de meest bekwame en ervaren onderhandelaar bij de hardste onderhandelingen, het gunstigste moment afwachtend, en na het uitkiezen van de tegenpartij die de zwakste onderhandelingspositie heeft, zou hebben kunnen bereiken. (Ontleend aan Hof ’s Gravenhage, 15 juni 1981, VN 1982, pag. 1759.) Een mooie heldere definitie, maar de praktijk is soms wat weerbarstig. Zo werd recent een Citroën DS cabriolet geveild voor € 335.000. Het autoblad waar dit in stond, gaf aan dat dit een waanzinnig hoge prijs was. Een jaar of 4 geleden schijnt er ook een geveild te zijn voor € 175.000, terwijl deze auto’s volgens het blad een gangbare prijs hebben tussen de € 75.000 en € 125.000. Nu hebt u ook zo’n bolide in de garage staan en stel dat u die in box 3 moet aangeven (daarbij aannemend dat hij niet is uitgesloten van ‘bezittingen’ voor box 3, omdat het roerende zaken zijn die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt (art 5.3 lid 2 Wet IB 2001) en ook niet kwalificeert voor de kunstvrijstelling), tegen welke waarde moet dat dan? Er is een duidelijke markt voor dit soort bezittingen: de veiling. Daar komen prijzen tot stand tussen van elkaar onafhankelijke partijen. Veilingprijzen zijn een mooie indicatie, maar ook niet meer dan dat. Denk maar aan uitzonderlijke omstandigheden bij geveilde auto’s, zoals auto’s die van bekende personen zijn geweest. Een taxatierapport van een erkend taxateur is hier aan te bevelen.

Discussie over onroerende zaken

In de praktijk leveren ook onroerende zaken discussie op. We hebben daar de WOZ-waarderingen en men zou kunnen denken: die zijn leuk te gebruiken voor box 3. Helaas, al bij de invoering van de Wet IB 2001 werd nadrukkelijk aangegeven dat de WOZ-waarde niet kan dienen als basis voor de box-3-waardering. De Staatssecretaris bevestigde dat nog eens in een besluit van 2004, waarin hij onder andere aangeeft dat voor de door de belastingplichtige verhuurde onroerende zaken de WOZ-waarde niet als basis kan worden gebruikt voor de box-3-waardering. Hij geeft overigens aan dat de WOZ-waarde wél gebruikt kan worden als basis indien de belastingplichtige de betreffende onroerende zaak voor 70% of meer zelf gebruikt.

Verder geeft dit besluit aan dat er voor verhuurde onroerende zaken geen algemene regels te geven zijn ter bepaling van de waarde ten behoeve van box 3, omdat die waarde van te veel factoren afhangt. Ook hier geldt dat de waarderingsgrondslag de waarde is in het economische verkeer en dat deze het beste kan worden onderbouwd met een waarderingsrapport van een taxateur.

Waarde in het economisch verkeer

Ook voor tweede woningen, vakantiehuizen e.d. (in binnen- of buitenland) geldt als grondslag de waarde in het economische verkeer. Dit geldt ook voor huizen die door de belastingplichtige zelf voor 70% of meer worden gebruikt. Ook hier is de WOZ-waarde geen basis. Ook in het geval het buitenland een waarderingssysteem kent dat vergelijkbaar is met ons WOZ-systeem, dient ook voor deze onroerende zaken de waarde in het economische verkeer als grondslag en niet de buitenlandse WOZ-waarde. In de praktijk leidt deze waarderingsregel niet tot al te veel problemen, daar de meeste verdragen de heffing over in het buitenland gelegen onroerende zaken aan dit buitenland toewijzen.

Waarderingsrapport

Daar waar er een markt is, kunnen de op deze markt tot stand gekomen prijzen een mooi hulpmiddel of indicatie zijn. Is er geen markt voorhanden of zijn de op deze markt tot stand komende prijzen geen goede indicatie om wat voor reden dan ook, dan zal een waarderingsrapport door een erkende taxateur en/of overleg met de Belastingdienst uitkomst moeten bieden.

[Drs. A.T. Valkenburg, PKF Wallast Amsterdam]

Beroepscommissaris was in fiscaal opzicht ondernemer

De Hoge Raad heeft onlangs nogmaals beslist dat een beroepscommissaris in fiscaal opzicht als ondernemer was aan te merken.

De Hoge Raad heeft onlangs nogmaals beslist dat een beroepscommissaris in fiscaal opzicht als ondernemer was aan te merken. De procedure betrof een voormalige president-directeur van een beursgenoteerde onderneming die na zijn pensionering vijf commissariaten bij overwegend beursgenoteerde ondernemingen vervulde. Daarnaast was hij voorzitter van de Raad van Toezicht van een kliniek. De man besteedde gemiddeld 20 tot 25 uur per week aan de commissariaten en verdiende in 2001 daarmee € 186.304. Voor zijn werkzaamheden huurde hij kantoorruimte en werd hij ondersteund door een secretaresse voor 26 uren in de week. De hiermee gemoeide kosten bedroegen € 36.499. De Hoge Raad gaf aan dat voor de vraag of de commissaris winst uit onderneming geniet, van belang is of de commissaris ondernemersrisico heeft gelopen. Daarbij spelen het aansprakelijkheidsrisico van de commissaris en de omvang daarvan, het risico van het wegvallen van commissariaten en het niet meer verwerven van nieuwe commissariaten een rol. Hiervan uitgaande was de Hoge Raad van oordeel dat de verrichte werkzaamheden kwalificeerden als winst uit onderneming.

Volledig bericht
De Hoge Raad heeft onlangs nogmaals beslist dat een beroepscommissaris in fiscaal opzicht als ondernemer was aan te merken. De Hoge Raad kwam daarmee tot een ander oordeel dan Hof Arnhem.

De procedure betrof een voormalig president-directeur van een beursgenoteerde onderneming die na zijn pensionering vijf commissariaten bij overwegend beursgenoteerde ondernemingen vervulde. Daarnaast was hij voorzitter van de Raad van Toezicht van een kliniek. De man besteedde gemiddeld 20 tot 25 uur per week aan de commissariaten en verdiende in 2001 daarmee € 186.304. Voor zijn werkzaamheden huurde hij kantoorruimte en werd hij ondersteund door een secretaresse voor 26 uren in de week. De hiermee gemoeide kosten bedroegen € 36.499.

De Hoge Raad gaf aan dat voor de vraag of de commissaris winst uit onderneming geniet, van belang is of de commissaris ondernemersrisico heeft gelopen. Daarbij zijn het aansprakelijkheidsrisico van de commissaris en de omvang daarvan, het risico van het wegvallen van commissariaten en het niet meer verwerven van nieuwe commissariaten van belang. De Hoge Raad wees hiervoor naar zijn arrest van 12 september 2008.

Hof Arnhem stelde dat de commissaris aannemelijk moest maken in hoeverre bovengenoemde risico’s zich voordeden en was van oordeel dat de commissaris niet in zijn bewijslast was geslaagd. Wel was het hof van oordeel dat de inkomsten van de commissaris kwalificeerden als resultaat uit overige werkzaamheden, zodat hij de kosten van de huur van de kantoorruimte en de secretaresse in mindering kon brengen op zijn inkomsten uit de commissariaten.

De Hoge Raad was op basis van het aantal door de commissaris vervulde commissariaten van oordeel dat het hof een te strenge maatstaf had aangelegd. Op basis van de feiten was de Hoge Raad van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk was dan dat de met de commissariaten behaalde inkomsten kwalificeerden als winst uit onderneming.

Opmerking
Per individueel geval dient een beoordeling plaats te vinden ten aanzien van het door een commissaris eventueel in aanmerking komen voor een VAR-winst. De feiten en omstandigheden zijn hierbij uitermate van belang. Het vervullen van een (enkel) commissariaat zal namelijk in de regel niet leiden tot ondernemerschap en het in aanmerking komen voor een VAR-winst.

Bron: Hoge Raad, 29-5-2009, nr. 07/10538.

Willekeurige afschrijving krijgt ruimere toepassing

De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 geldt nu ook voor bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om telkens voor korte tijd te worden verhuurd.

De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 geldt nu ook voor bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om telkens voor korte tijd te worden verhuurd.

Door willekeurige afschrijving kunnen bedrijven investeringen die in het kalenderjaar 2009 plaatsvinden in 2 jaar afschrijven, dus maximaal 50% in 2009 en 50% in 2010.

Bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om ter beschikking te worden gesteld aan derden zijn uitgesloten voor de voor 2009 en 2010 ingevoerde willekeurige afschrijving op investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling. Dit om oneigenlijk gebruik van de regeling te voorkomen.

Bij bedrijfsmiddelen die bestemd zijn om telkens voor korte duur te worden verhuurd, is de kans dat oneigenlijk voorkomt klein. Terwijl het wel wenselijk is dat de verhuurder gebruik kan maken van de regeling.

Daarom wordt nu een uitzondering gemaakt voor deze bedrijfsmiddelen (bijvoorbeeld speciaal gereedschap, hoogwerkers, bestelauto’s en aanhangwagens). Op deze bedrijfsmiddelen mag, onder de voorwaarden die voor de regeling gelden voortaan willekeurig worden afgeschreven.

Meer informatie
Meer informatie leest u op de site van het Ministerie van Financiën.

De elektronische schaduw in de auto van de zaak

Veel werkgevers laten in de auto die zij aan een werknemer ter beschikking stellen een zogenaamd GPS-, C-track- of Black Box-systeem installeren

Veel werkgevers laten in de auto die zij aan een werknemer ter beschikking stellen een zogenaamd GPS-, C-track- of Black Box-systeem installeren. Dit kan om uiteenlopende redenen gebeuren, maar dikwijls hanteren werkgevers dergelijke personeelsvolgsystemen als controlemechanisme. De werkgever kan hiermee van minuut tot minuut volgen waar de auto (en dus de werknemer) zich bevindt. De privacy van de werknemer kan daarbij in het geding komen. Wat mag nu wel en wat mag nu niet bij het gebruik van deze ‘elektronische schaduw’?
Blijkens de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WPB) is een personeelsvolgsysteem: een technisch middel dat het mogelijk maakt om het gedrag en de prestatie van de werknemer tijdens het arbeidsproces te registreren teneinde daar conclusies aan te verbinden. Te denken valt hierbij niet alleen aan de in dit artikel centraal staande GPS-, C-track- of Black Box-systemen in de auto van de zaak, maar ook aan toegangspasjes, videocamera’s, tijds- en verzuimregistratiesystemen et cetera. Dit zijn allen personeelsvolgsysteem in de zin van de WBP, indien de verkregen data terug te voeren zijn (herleidbaar) naar een persoon. Omdat werknemers ook in een werksituatie privacyrechten hebben, stelt de wet grenzen aan inbreuk daarop door personeelsvolgsystemen. Richtlijnen voor de invoering en het gebruik van personeelsvolgsystemen zijn beschikbaar op de website van het College bescherming Persoonsgegevens (CBP): www.cpbweb.nl.

Zo geldt het vereiste van kenbaarheid en proportionaliteit: de werkgever moet een gerechtvaardigd belang hebben, dat ook niet of nauwelijks op een andere wijze gediend kan worden. De gegevens die via dergelijke systemen verzameld worden, mogen alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn aangelegd. Die doeleinden moeten bovendien transparant zijn voor de werknemer. Daarbij moet de werknemer weten wanneer hij of zij ‘gevolgd’ wordt.

Wet op de Ondernemingsraden

Bij de invoering of wijziging van een personeelsvolgsysteem heeft de Ondernemingsraad (OR) op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) een instemmingsrecht bij de implementatie. De werkgever moet een protocol of reglement schriftelijk voorleggen. De OR kan dan vanuit de eigen bedrijfspraktijk onderzoeken welk argument gerechtvaardigd is en grenzen stellen aan het gebruik. Nadat het systeem is ingevoerd, heeft de OR geen invloed meer op de wijze waarop het systeem wordt gebruikt. Een belangrijke leidraad voor de OR is de privacychecklist, deze is eveneens te vinden op de website van het CPB.

Doelen invoering volsystemen in auto van de zaak

Werkgevers hanteren uiteenlopende redenen om een GPS-, C-track- of Black Box-systeem in de bedrijfs- of leaseauto te installeren. Planning is vaak een argument. Dit kan een acceptabele doelstelling zijn voor specifieke functies, bijvoorbeeld bij technische monteurs. Wanneer een klant belt, kan de werkgever zo snel beoordelen wie van de monteurs zich het dicht in de buurt bevindt en deze naar de klant toesturen. Ook kunnen er fiscale redenen zijn. De Belastingdienst eist dat kan worden aangetond dat een werknemer minder dan 500 km/jaar privé rijdt als die geen bijtelling bij het brutoloon wil. Als men wil voorkomen dat de werknemer in dat geval een rittenadministratie moet voeren, kan een GPS- of Black Box-systeem dat een uitdraai van de ritten produceert, een goed alternatief zijn. Ook controle op privé-gebruik, als de werkgever zelf een grens aan het aantal kilometers per jaar dat werknemer privé mag rijden heeft gesteld, zou een gerechtvaardigd doel kunnen zijn.

Het milieu wordt door werkgevers ook vaak genoemd bij de introductie van personeelsvolgsysteem in de auto. Achterliggende gedachte hierbij is dat een werknemer wel zuiniger zal rijden als hij weet dat zijn rijgedrag wordt gevolgd. Daardoor zou dan een brandstofbesparing (en verminderde CO2-uitstoot) gerealiseerd worden.

Gedragscontrole (rijdt de werknemer niet te hard, maakt hij geen nodige omwegen, blijft hij niet te lang stilstaan bij benzinestations) is ook een veelvoorkomend argument, maar de vraag is of dit een gerechtvaardigd doel is. Dit kan weer anders zijn als er een redelijke verdenking is van onregelmatigheden. Voorwaarde is dat andere middelen uitgeput zijn en dat er een zwaarwegend belang van de onderneming in het geding is. Verder moet bij werknemers bekend zijn dat, in uitzonderlijke situaties, het personeelsvolgsysteem kan worden ingezet.

Discussie

De kaders die de WBP zet lijken helder, maar in de praktijk leidt de invoering en/of de hantering van personeelsvolgsystemen in de auto nog wel eens tot discussie. Er is nu eenmaal een spanningsveld tussen het recht op bescherming van de privacy van de werknemer en belangen van de werkgever bij de hantering van personeelsvolgsystemen, zoals controle ter optimalisering van de bedrijfsvoering of waarheidsvinding. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen, waar bij een belangenafweging de balans doorslaat.

Voorbeelden

Twee voorbeelden. De kantonrechter te Lelystad werd in 2004 een zaak voorgelegd, waarbij een werkgever auto’s van verkopers had toegerust met een GPS-systeem. Op enig moment stuitte de werkgever op discrepanties tussen de GPS-gegevens en de door een werknemer ingediende dagrapporten. De werknemer had daarvoor in de ogen van de werkgever geen toereikende verklaring afgelegd en hem daarom op staande voet ontslagen. De rechter oordeelde dat de werkgever zonder meer mocht controleren, omdat het om een bedrijfsauto ging. Er was geen sprake van heimelijk toezicht, omdat de werknemer wist dat de auto met een GPS-systeem was uitgerust. De discrepanties tussen de uitdraaien van het GPS-systeem en de dagrapporten van de werknemer riepen zoveel vragen op, dat een (voorwaardelijke) ontbinding zonder vergoeding gerechtvaardigd was.

Ook in een andere zaak waarbij een werknemer een voorloper van de zogenaamde ‘Eco Coach’ in zijn leaseauto weigerde te gebruiken, oordeelde de kantonrechter Zwolle dat het niet onredelijk was van de werkgever een dergelijk personeelsvolgsysteem te willen hanteren. Het argument van de werknemer dat hij de auto ook privé gebruikte, werd door de rechter niet gehonoreerd nu de werknemer niet verplicht was de auto ook privé te gebruiken. Bovendien had de OR (waar de betrokken werknemer nota bene zelf OR-lid was) geen bezwaar gemaakt bij de invoering van het personeelsvolgsysteem.

Aantoonbare objectieve grond

De conclusie luidt dan ook dat wanneer de werkgever een aantoonbare objectieve grond heeft om over te gaan tot het invoeren van personeelsvolgsystemen, dit is toegestaan. Al moet het doel van de invoering van personeelsvolgsystemen worden bereikt op de voor de werknemer minst bezwarende wijze. Aldus geldt dat de WPB gevolgd moet worden, er is een meldingsplicht aan het CPB en de OR moet hebben ingestemd met de invoering van het personeelsvolgsysteem.

[Mw. Francis Makker, advocaat bij Pellicaan advocaten]

Belastingdienst: Aanvraagtermijn kwartaalaangifte btw verlengd

Ondernemers die maandelijks aangifte btw doen, kunnen vanaf 1 juli per kwartaal aangifte doen en omzetbelasting betalen.

Ondernemers die maandelijks aangifte btw doen, kunnen vanaf 1 juli per kwartaal aangifte doen en omzetbelasting betalen. Wie kwartaalaangifte wil gaan doen, kan nog tot donderdag 11 juni een aanvraag insturen, zo meldt de Belastingdienst.
De Belastingdienst: ‘Met de kwartaalaangifte stelt het kabinet u in staat om het betalen van btw uit te stellen. U komt hiervoor in aanmerking als u begin mei een brief hebt ontvangen. Vul deze brief in als u wilt overstappen naar de kwartaalaangifte en stuur een kopie van de brief vóór 11 juni 2009 naar uw belastingkantoor. Als u de aanvraag op tijd instuurt, voeren wij de wijziging per 1 juli door. Uw eerstvolgende aangifte gaat dan over het 3e kwartaal van 2009. U krijgt hierover geen apart bericht. Wanneer uw aanvraag na 11 juni binnenkomt, kunnen wij niet garanderen dat we deze op tijd kunnen verwerken. Wilt u per maand aangifte blijven doen, omdat u bijvoorbeeld regelmatig een teruggaaf krijgt? U hoeft de brief niet terug te sturen. Voor u wijzigt er dan niets.’