Schatting Ondernemers 2009 met VA-programma

Ondernemers en intermediairs kunnen nu de Schatting Ondernemers (SO) 2009 voor de inkomensheffing en Zorgverzekeringswet digitaal doen.

Dit is mogelijk met het programma voorlopige aanslag 2009 (VA-programma 2009).

Ondernemers en intermediairs kunnen nu de Schatting Ondernemers (SO) 2009 voor de inkomensheffing en Zorgverzekeringswet digitaal doen.

 

Dit is mogelijk met het programma voorlopige aanslag 2009 (VA-programma 2009).
Begin mei zijn zo’n 900.000 ondernemers uitgenodigd de SO te doen. Het VA-programma 2009 heeft controles die invulfouten voorkomen. De schatting wordt daardoor nauwkeuriger. Bovendien kunnen ondernemers en intermediairs met het VA-programma 2009 nu ook eenvoudig tussentijdse wijzigingen in de schatting digitaal doorgeven.
Het blijft mogelijk om de schatting over 2009 op papier door te geven. Daarvoor kunt u het formulier Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2009 bij de BelastingTelefoon bestellen.
Schatting 2008
De ondernemers moeten ook voor 2008 een schatting van hun inkomen inleveren. Zij ontvangen daarvoor een formulier. Intermediairs kunnen de schatting 2008 (net als vorig jaar) wel digitaal doen.
Campagne
Een bescheiden mediacampagne loopt tot medio juni. Daarin wijzen banners op diverse internetsites en advertenties in dag- en vakbladen op de mogelijkheid de SO 2009 digitaal te doen en om deze zo nodig tussentijds aan te passen.

Bron: De Belastingdienst

Voor aftrek lijfrentepremie wegens pensioentekort is goede onderbouwing vereist

Bij een tekort in de pensioenopbouw kunt u in beginsel een bedrag aan lijfrentepremie in aftrek brengen. De extra lijfrentepremieaftrek wegens een tekort in de pensioenopbouw is afhankelijk van jaarlijkse pensioenaangroei. Een pensioenuitvoerder is verplicht om een werknemer eens per jaar een overzicht met daarop aangegeven de pensioenaangroei van het voorafgaande jaar (ook wel bekend als “factor A”) toe te zenden

 

Volledig bericht

Lijfrentepremies die u betaalt voor bijvoorbeeld een oudedagsvoorziening kunt u onder voorwaarden in aftrek brengen op het inkomen. Als u kunt aantonen dat u een pensioentekort heeft (jaarruimte) of dat u in de voorgaande zeven jaren lijfrentepremies had kunnen aftrekken maar die aftrekmogelijkheid niet (volledig) heeft benut (reserveringsruimte), dan bestaat recht op een lijfrentepremieaftrek. Voor 2009 bedraagt het maximumbedrag voor de jaarruimte € 26.490 en het maximumbedrag voor de reserveringsruimte bedraagt € 6.703. Voor mensen die op 1 januari 2009 van 55 jaar en ouder zijn wordt laatstgenoemd maximumbedrag verhoogd tot € 13.238.

De extra lijfrentepremieaftrek wegens een tekort in de pensioenopbouw is afhankelijk van jaarlijkse pensioenaangroei.  Een pensioenuitvoerder is verplicht om een pensioenverzekerde eens per jaar een overzicht met daarop aangegeven de pensioenaangroei van het voorafgaande jaar (ook wel bekend als “factor A”) toe te zenden. De pensioenaangroei moet daarbij uitsluitend zijn terug te voeren op de extra pensioengevende diensttijd in het voorafgaande jaar en niet op andere factoren zoals bijvoorbeeld inkoop van dienstjaren.

De formule voor de jaarruimte luidt in zijn grondvorm: maximaal 17% van de ‘premiegrondslag’ -/- 7,5 maal “factor A” -/- bepaalde dotaties aan fiscale oudedagsreserve -/- het bedrag dat aan spaarloon is opgenomen voor voldoening van vrijwillig te betalen premies voor een pensioenregeling. Onder omstandigheden kan de berekening van de jaarruimte een ingewikkelde aangelegenheid zijn. Uit de formule blijkt dat hoe hoger factor A is, hoe minder ruimte overblijft voor de extra lijfrentepremieaftrek wegens pensioentekort.

Voor het in aftrek kunnen brengen van een lijfrentepremie wegens pensioentekort moet men het pensioentekort en de voor de berekening daarvoor noodzakelijk gegevens (waaronder de jaarlijkse pensioenaangroei) aannemelijk kunnen maken. In voorkomende gevallen kan men zijn recht op lijfrentepremieaftrek pas echt effectueren als men inzichtelijke bewijsstukken (van bijvoorbeeld de pensioenuitvoerder) daartoe overlegt. Illustratief hiervoor zijn de recent gepubliceerde uitspraken van Rechtbank Haarlem en in hoger beroep Hof Amsterdam.
 
In de betreffende procedure had de man bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 een bedrag van € 612 aan lijfrentepremie wegens pensioentekort in aftrek gebracht. Het bedrag van € 612 was opgebouwd uit twaalf maandpremies van € 51 voor een bijspijkerpensioen afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij.
 
Bij het regelen van de aanslag over 2004 weigerde de inspecteur de lijfrentepremieaftrek omdat geen berekening van de jaarruimte was toegezonden. Rechtbank Haarlem volgde hierin de inspecteur. De man had weliswaar de rechtbank een brief toegezonden met daarin gegevens over de jaarlijkse pensioenaangroei over 2004, maar de benodigde bewijsstukken ontbraken. Pas in hoger beroep voor Hof Amsterdam overlegde de man wel de vereiste bewijsstukken en kon hij uiteindelijk de lijfrentepremie in aftrek brengen.

Opmerking
De berekening van de jaarruimte kan in voorkomende gevallen gecompliceerd zijn, met name als men nog niet de beschikking heeft over de opgaaf van zijn pensioenverzekeraar van zijn pensioenaangroei. Voor fiscaal eenvoudigere gevallen kan een rekenprogramma van de belastingdienst uitkomst bieden. De belastingdienst heeft op zijn site ‘www.belastingdienst.nl’ een hulpprogramma opgenomen voor de berekening van de jaarruimte en/of de reserveringsruimte. Uit de toelichting daarbij volgt dat de belastingdienst een aldus berekende jaarruimte kennelijk eveneens accepteert als maximaal aftrekbaar bedrag, ook indien met behulp van het rekenprogramma de omvang van de pensioenaangroei is berekend. Voor ingewikkelder situaties verdient het aanbeveling om contact op te nemen met uw adviseur.
 
Bron: Rechtbank Haarlem

Ontwijk de fiscus bij ontslagvergoeding

Ontslagen en een grote zak geld meegekregen? Je kunt er natuurlijk meteen iets leuks van kopen of het op een spaarrekening zetten, maar de kans is groot dat je eerst nog de helft kwijt bent aan belasting.

Wil je het grootste deel van je vertrekpremie zelf houden, dan zijn er verschillende mogelijkheden. Marius Winter van kantonrechtersformule.nl merkt dat de belangstelling voor het onderwerp toeneemt. Niet alleen vanwege de recessie, maar ook omdat de ontslagvergoeding per 1 januari is versoberd.

Winter, die er onlangs een boekje over schreef: ‘Het grootste nadeel van meteen cashen, is dat je over dat bedrag inkomstenbelasting betaalt, waarbij de vergoeding in het jaar van uitkering bij je inkomen wordt opgeteld.’ Dat betekent dat je, als je 40.000 euro verdient en 20.000 euro vergoeding krijgt, al in de hoogste belastingschaal van 52 procent (die begint bij 54.700 euro) valt. ‘Jongeren nemen dat nog wel eens voor lief en kopen nu eindelijk eens die auto of gaan lekker op vakantie. Dat geldt ook voor mensen die al een nieuwe baan hebben gevonden. Die zien dat geld als een extraatje’, zegt Winter.

Minder belasting
Wie geen zin heeft zoveel belasting te betalen, kan de vertrekpremie soms beter in een lijfrente stoppen – daarbij krijg je bijvoorbeeld elk jaar een bepaald bedrag uitgekeerd. Voordeel is dat je alleen over dat jaarlijkse bedrag belasting betaalt. Nadeel is dat het rigide is: je bepaalt van tevoren hoeveel geld je elk jaar krijgt uitgekeerd.

Bij hoge bedragen kan het de moeite waard zijn alles te stoppen in een zogeheten stamrecht-bv. Die kun je gebruiken om te beleggen of te investeren in een bedrijf en je betaalt pas belasting als jouw stamrecht-bv geld uitkeert. Het voordeel is dat je helemaal zelf kunt bepalen wanneer dat gebeurt en dat je – als die beleggingen tenminste een beetje renderen – vermogen opbouwt. Nadeel is de – eenmalige – kosten van 3.500 tot 4.000 euro. Daarom is zo’n stamrecht-bv vooral boven de 70.000 euro interessant

Belastingdienst scherper op fraude met zakenauto

De Belastingdienst gaat strenger controleren op het onjuist opgeven van privégebruik van een auto van de zaak.

De Belastingdienst gaat strenger controleren op het onjuist opgeven van privégebruik van een auto van de zaak.

 

Dat heeft staatssecretaris Jan Kees de Jager (Financiën) besloten, omdat uit onderzoek wederom veel misbruik blijkt van het belastingvriendelijker regime voor zakenauto’s die weinig privé worden gebruikt. Sinds begin van het jaar is bij ongeveer 1500 belastingplichtigen voor in totaal circa 4 miljoen euro aan naheffingen en boetes opgelegd.
Minder dan 500 kilometer
Dat heeft het ministerie van Financiën dinsdag bekendgemaakt. Iemand met een auto van de zaak  die minder dan 500 kilometer privé rijdt, hoeft minder belasting te betalen. Uit eerdere onderzoeken van de Belastingdienst was al gebleken dat een fors aantal mensen van deze groep het niet zo nauw neemt met de regels.

De totale stand aan fraude bedraagt nu 23 miljoen euro aan naheffingen en boetes voor ongeveer 11.000 belastingplichtigen die onterecht belastingvoordeel wilden opstrijken. Vooral personen met een auto van de zaak die een of meer verkeersboetes hebben, blijken nogal eens de belastingregels aan hun laars te lappen.

Voor het opvoeren van de controles zet de Belastingdienst tientallen extra medewerkers in. De opbrengst wordt geschat op vele miljoenen euro’s.

 
(c) ANP 2009 alle rechten voorbehouden

Voor aftrek van scholingsuitgaven is geen inkomensverbetering vereist

De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat voor de aftrek van scholingsuitgaven geen inkomensverbetering is vereist. Uit de wetsgeschiedenis maakte de Hoge Raad op dat de wetgever met de regeling van de aftrek voor scholingsuitgaven ‘employability’ heeft willen ondersteunen.

 

Volledig bericht

Kosten die u maakt om nieuwe kennis op te doen of bestaande kennis te verdiepen, zijn onder voorwaarden aftrekbaar als scholingsuitgaven. De uitgaven komen in beginsel voor aftrek in aanmerking als u aan een opleiding bent begonnen met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Als u een opleiding volgt om persoonlijke redenen of om vergroting van de persoonlijke uitrusting, dan bestaat echter geen recht op aftrek. Over de belangrijkste (aanvullende) voorwaarden voor de aftrek van scholingsuitgaven kunt u meer lezen in ons bericht van 6 december 2007.

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of voor de aftrek van scholingsuitgaven is vereist dat sprake is van inkomensverbetering. Hof Arnhem had namelijk impliciet in deze zin beslist. De procedure betrof een man die in 2001 directeur-grootaandeelhouder was van een BV. Hij volgde sinds 1996 een opleiding tot beroepspiloot. Deze opleiding sloot hij in 2001 met succes af. Daarna volgde hij in 2002 nog twee aanvullende opleidingen. In 2006 volgde hij een opleiding tot vlieginstructeur.  Per 1 augustus 2006 was de man als vlieginstructeur/piloot werkzaam. Zijn onderneming had hij verkocht. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2001 bracht de man de opleidingskosten (na aftrek van een drempel van € 500) als scholingsuitgaven op zijn inkomsten in aftrek. De inspecteur weigerde echter de aftrek. Hij meende dat de uitgaven niet kwalificeerden als scholingsuitgaven, omdat geen sprake zou zijn van een verbetering van de financieel-economische positie van de man. Rechtbank Arnhem stelde de man in het gelijk, maar Hof Arnhem stelde de inspecteur in het gelijk.
 
De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Arnhem echter vernietigd. Uit de wetsgeschiedenis maakte de Hoge Raad op dat de wetgever met de regeling van de aftrek voor scholingsuitgaven ‘employability’ heeft willen ondersteunen. Dat houdt in dat men zich met onder meer scholing wapent tegen de mogelijkheid van terugval van werkgelegenheid in de branche waarin men werkzaam is. Voor de kwalificatie van opleidingskosten als scholingsuitgaven is vereist, dat men met het volgen van die opleiding een bepaald beroep op het oog heeft en in redelijkheid kan verwachten om dat beroep na voltooiing van de opleiding te kunnen uitoefenen. Dit vereiste staat los van de vraag of men met het volgen van de opleiding een inkomensverbetering nastreeft.
 
De Hoge Raad heeft voorts aangegeven dat gedurende de opleiding of studie moet worden beoordeeld of aan het vereiste is voldaan en niet uitsluitend op het tijdstip van aanvang van de studie of opleiding zoals het hof had geoordeeld.
 
Bron: Hoge Raad, 10-4-2009, 08/00312.