Volledige dienstbetrekking elders leidde tot forse beperking gebruikelijk loon

Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de hoogte van het gebruikelijk loon dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) voor zijn werkzaamheden voor zijn bv bij zijn belastingaangifte over 2004 in aanmerking moest nemen.

Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de hoogte van het gebruikelijk loon dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) voor zijn werkzaamheden voor zijn bv bij zijn belastingaangifte over 2004 in aanmerking moest nemen. De dga was op 9 april 2004 voltijds in dienst getreden bij een werkgever. Zijn drukke werkzaamheden daar lieten nog weinig tijd over om te besteden aan zijn bv. Hij overlegde enige weekstaten van zijn dienstverband en ook een verklaring van de werkgever, waarin deze laatste aangaf dat het zonder officiële toestemming medewerkers niet was toegestaan om nevenactiviteiten te verrichten. De dga maakte bezwaar tegen het in aanmerking nemen van 100% van het voor 2004 geldende gebruikelijk loon van € 38.118. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de dga vanaf 9 april 2004 inderdaad nog slechts op beperkte schaal werkzaamheden voor de bv had verricht. De rechtbank verklaarde het beroep van de dga uiteindelijk toch ongegrond. De reden hiervan was dat het door de rechtbank vast te stellen belastbaar bedrag niet zou leiden tot een lager bedrag dan de inspecteur al had vastgesteld.

 

Volledig bericht

Op grond van de gebruikelijkloonregeling in de Wet op de loonbelasting wordt voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen in specifieke situaties een bepaald bedrag aan loon in aanmerking genomen, los van wat feitelijk aan loon wordt uitbetaald. Het betreft de situatie waarin een werknemer arbeid verricht voor een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft of waaraan hij vermogensbestanddelen ter beschikking stelt (waardoor de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is). De gebruikelijkloonregeling komt in de praktijk vooral voor bij bv’s met een directeur-grootaandeelhouder (dga). Een dga moet op grond van de gebruikelijkloonregeling ten minste een loon in aanmerking nemen dat niet in belangrijke mate afwijkt van het loon van vergelijkbare werknemers die geen dga zijn. Hierbij geldt een ondergrens van € 40.000 (jaar 2009) of, indien aannemelijk is dat een lager loon gebruikelijk is bij vergelijkbare werknemers die geen dga zijn, dit lagere loon. In dat geval rust de bewijslast op de dga.
 
Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de hoogte van het gebruikelijk loon dat een dga voor zijn werkzaamheden voor zijn bv bij zijn belastingaangifte over 2004 in aanmerking moest nemen. De zaak was kort weergegeven als volgt.
 
Een man was in 2004 directeur en enig aandeelhouder van een bv. Deze bv hield tot 30 juli 2004 50% van de aandelen in een andere vennootschap. Op die datum werden de aandelen in de vennootschap geleverd aan een derde vennootschap.
 
Op 9 april 2004 was de dga voltijds in loondienst bij een werkgever getreden. Het salaris uit die dienstbetrekking bedroeg over dat jaar € 76.511. De inspecteur legde de dga wegens het ontbreken van zijn aangifte inkomstenbelasting over 2004 een ambtshalve aanslag op met een verzuimboete. Daarbij nam hij een gebruikelijk koon in aanmerking van € 38.118 (het standaardbedrag voor 2004). De dga was echter van mening dat het door de inspecteur in aanmerking genomen gebruikelijk loon op een aanzienlijk lager bedrag moest worden bepaald. Hij gaf onder meer aan dat naast zijn drukke werkzaamheden in zijn dienstverband nog weinig tijd overbleef om te kunnen besteden aan zijn bv. Hij overlegde daartoe enige weekstaten van zijn dienstverband en ook een verklaring van de werkgever, waarin deze aangaf dat het zonder officiële toestemming medewerkers niet was toegestaan om nevenactiviteiten te verrichten.
 
De rechtbank stelde voorop dat de bewijslast bij de dga lag om aannemelijk te maken dat een lager gebruikelijk loon van toepassing was dat het wettelijk (standaard)bedrag van € 38.118.  Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend vond de rechtbank dat de dga erin was geslaagd om aannemelijk te maken dat hij vanaf 9 april 2004 inderdaad nog slechts op beperkte schaal werkzaamheden voor de bv had verricht. Voor de periode tot 9 april 2004 moest wel het volledige gebruikelijk loon naar evenredigheid in aanmerking worden genomen.
 
De rechtbank verklaarde het beroep van de dga daarom uiteindelijk toch ongegrond. Ook al was namelijk het beroep inhoudelijk wel gegrond, het gebruikelijk loon over de periode 1 januari tot 9 april 2004 zou echter tezamen met het overige inkomen uit werk en woning niet uitkomen op een lager belastbaar bedrag dan de inspecteur in de belastingaanslag al had vastgesteld.

Bron: Rechtbank Haarlem, 24-6-2009, nr. 08/2404 (gepubliceerd 30-6-2009).

Nieuw Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

Op 2 juli 2009 is het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gepubliceerd in de Staatscourant. Een belangrijke wijziging betreft de verzwaring van de bestuurlijke boete bij het verzwijgen van box 3-inkomen (met name spaargelden in het buitenland).

Op 2 juli 2009 is het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gepubliceerd in de Staatscourant. Een belangrijke wijziging betreft de verzwaring van de bestuurlijke boete bij het verzwijgen van box 3-inkomen (met name spaargelden in het buitenland). De wettelijke vergrijpboete bij deze overtreding is met ingang van 2 juli 2009 verhoogd van maximaal 100% van de grondslag van deze boete naar maximaal 300%. De grondslag is kort gezegd de verschuldigde belasting over het box 3-inkomen zoals deze bij de gewone aanslag of de navorderingaanslag is vastgesteld. Op grond van het nieuwe besluit bedraagt de vergrijpboete bij opzet in beginsel 150% en bij grove schuld 75%. Bij herhaling van de overtreding kan deze boete maximaal worden verdubbeld tot 300% respectievelijk 150%. Verder is ook het verzuimboetebeleid bij (gedeeltelijke) niet of te late betaling van motorrijtuigenbelasting gewijzigd. Het besluit is op 2 juli 2009 in de Staatscourant gepubliceerd en is op 4 juli 2009 in werking getreden.

 

Volledig bericht

Op 2 juli 2009 is het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst gepubliceerd in de Staatscourant. De wijzigingen van het besluit vinden onder meer hun wettelijke basis in het wetsvoorstel Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen dat de Eerste Kamer op 30 juni 2009 heeft aangenomen.
 
Een belangrijke wijziging uit het besluit betreft de verzwaring van de bestuurlijke boete bij het verzwijgen van box 3-inkomen (met name spaargelden in het buitenland). De wettelijke vergrijpboete bij deze overtreding is met ingang van 2 juli 2009 verhoogd van maximaal 100% van de grondslag van deze boete naar maximaal 300%. De grondslag is kort gezegd de verschuldigde belasting over het box 3-inkomen zoals deze bij de gewone aanslag of de navorderingaanslag is vastgesteld.
 
Ingeval de inspecteur bij het vaststellen van een gewone aanslag een vergrijpboete oplegt, bedraagt de boete in geval van opzet in beginsel 150% van de grondslag. Ingeval de inspecteur bij het vaststellen van een navorderingsaanslag een vergrijpboete oplegt, bedraagt de boete in geval van grove schuld in beginsel 75% van de grondslag en in geval van opzet 150% van de grondslag. Bij herhaling van de overtreding kan de vergrijpboete maximaal worden verdubbeld tot 150% bij grove schuld (alleen bij navorderingsaanslagen) en tot 300% bij opzet.
 
Verder is onder meer het verzuimboetebeleid bij (gedeeltelijke) niet of te late betaling van motorrijtuigenbelasting gewijzigd.
 
Het besluit is op 2 juli 2009 in de Staatscourant gepubliceerd en is op 4 juli 2009 in werking getreden. Het voorgaande besluit van 9 december 2008 is per dezelfde datum ingetrokken.
 
Bron: Ministerie van Financiën, 25-6-2009, nr. CPP2009/1062M; Staatscourant, 2-7-2009, nr. 9896

Belangrijkste wetswijzigingen per 1 juli / 3 juli 2009

Op 1 juli 2009 zijn enkele belangrijke wetswijzigingen in werking getreden

Op 1 juli 2009 zijn enkele belangrijke wetswijzigingen in werking getreden.

1. Fiscaal stimuleringspakket

Het kabinet heeft een fiscaal stimuleringspakket doorgevoerd, om de gevolgen van de economische crisis te beperken. Deze nieuwe regels gelden per 1 juli, waarvan enkele met terugwerkende kracht. Voor ondernemers zijn de volgende maatregelen van belang:

2. Tijdelijke versoepeling invorderingsbeleid belastingen

Er zijn twee nieuwe maatregelen om ondernemers tegemoet te komen, die hun betalingsverplichtingen aan de Belastingdienst niet kunnen voldoen. Zij kunnen onder voorwaarden uitstel krijgen van betaling. Ook zal de Belastingdienst soepeler omgaan met de uiterste executiedatum bij beslag en verkoop van bezittingen van ondernemers. De maatregelen zijn op 30 mei 2009 ingegaan(zie: Tijdelijke versoepeling invorderingsbeleid bij ondernemers).

Uitstel van betaling

Een ondernemer die zijn belastingaanslag niet kan betalen, kan uitstel van betaling krijgen als:

  • dit het directe gevolg is van de economische crisis;
  • de betalingsproblemen tijdelijk zijn;
  • er een tijdstip bepaald kan worden waarop de betalingsproblemen opgelost zijn.

Ondernemers komen in aanmerking voor de regeling als zij een verklaring van een deskundige kunnen overleggen, waarin staat dat aan de gestelde eisen is voldaan.

Opschorten executiedatum bij beslag

Als een ondernemer zijn belastingschulden niet meer kan betalen, dan legt de belastingdeurwaarder in het uiterste geval beslag op zijn bezittingen en wordt de datum van openbare verkoop vastgesteld. De ondernemer krijgt hooguit 4 maanden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Deze maximumtermijn wordt tijdelijk verruimd. Voorwaarde is dat het bedrijf levensvatbaar is en er een goed vooruitzicht is op betaling van de achterstallige belastingen in de nabije toekomst.

3. Vereenvoudiging inkomensschatting voor ondernemers

Ondernemers kunnen de schatting van hun inkomsten voor de zorgverzekeringswet en inkomensheffing voortaan digitaal doorgeven. De schatting van de inkomsten over 2009 moet, op papier, voor 1 augustus 2009 plaatsvinden. Het kan ook digitaal via het programma ‘Voorlopige aanslag 2009’. Hiermee is ook direct zichtbaar of en hoeveel de ondernemer moet betalen(zie: Verduidelijking schattingen IB/VpB 2009). Voor digitale schattingen 2009 is de uiterste inlevertermijn 31 augustus 2009.

4. Versoepeling terugwenteling verliezen

Ondernemers mogen hun fiscaal verlies over 2008 sneller terugwentelen. Hiermee wil het kabinet de liquiditeitspositie van ondernemers verbeteren. Ondernemers kunnen verlies over 2008 met de winst van 2005, 2006 of 2007 verrekenen. De Belastingdienst mag een verlies voorlopig terugwentelen vóórdat de aangifte over 2008 is gedaan. De ondernemer moet dan aannemelijk maken dat er sprake is van fiscaal verlies. Bijvoorbeeld door een voorlopige jaarrekening te overleggen.
­
Ook mag de Belastingdienst een voorschot op de voorlopige verliesverrekening geven als er slechts een voorlopige aanslag is opgelegd over het kalenderjaar waarnaar wordt teruggewenteld. De versoepelingen geldt ook voor vpb-belastingplichtigen. Een vpb-verlies mag echter slechts 1 jaar worden teruggewenteld en niet 3 jaar zoals bij de ib-ondernemer. Het besluit gaat met terugwerkende kracht in op 8 april 2009 en vervalt op 1 juli 2010(zie: Snellere terugwenteling verlies 2008 van start).

5. Versoepelingen technische eisen bestelauto’s

De technische inrichtingseisen voor bestelauto’s zijn versoepeld. Het gaat om eisen aan de vaste wand tussen de bestuurderscabine en de laadruimte. Voor de aanschafbelasting op auto’s (BPM) gelden strenge eisen voor het onderscheid tussen personen- en bestelauto’s. De BPM wordt opgelegd bij de eerste ingebruikname van een auto, of bij invoer uit het buitenland. De vraag of er sprake is van een bestel- of personenauto, is van invloed op de vrijstelling BPM voor ondernemers en de willekeurige afschrijving. De eisen aan de vaste wand tussen de bestuurderscabine en laadruimte zijn minder strikt geworden. Hierdoor kunnen fabrikanten en importeurs een bestelauto eenvoudiger aanpassen aan de Nederlandse fiscale bepalingen(zie verder: De Jager wil regeling voor bestelauto’s versoepelen).
­
Het belang van een strenge naleving van de eisen bleek recent weer, toen een ondernemer ter vereenvoudiging van zijn bedrijfsvoering het tussenschot enigszins had aangepast. Een naheffing BPM en een boete (samen € 12.000) hangen hem boven het hoofd(zie: Bestelauto wordt auto door kliksysteem: naheffing bpm)[Nieuwsarchief].

6. Afschaffing bijzondere eisen aan elektronische facturen

Er gelden geen specifieke verplichtingen meer bij het versturen van elektronische facturen(zie: Beleidsbesluit e-factureren)[Nieuwsarchief]. Ook melding bij de Belastingdienst is niet langer nodig. Ondernemers mogen hun facturen daardoor nu bijvoorbeeld als PDF-document versturen via e-mail. Ondernemers kunnen zelf bepalen op welke manier ze hun elektronische facturen beveiligen. Bijvoorbeeld door een beveiligde PDF te gebruiken.
­
Om elektronisch factureren te vergemakkelijken, is de website www.ViaMijnBank.nl gelanceerd. Klanten van ABN AMRO, ING en Rabobank kunnen hun rekeningen voortaan online ontvangen en betalen in hun eigen beveiligde omgeving via internetbankieren(zie: Bankklant kan nota’s nu digitaal krijgen)[Nieuwsarchief].

7. Btw-gevolgen bij bodembeslag

Het beleid over de omzetbelastinggevolgen van de levering van goederen die vallen onder het ‘bodembeslag’ is ingetrokken. Daardoor is de belastingschuldige van wie de belastingdeurwaarder executoriaal roerende zaken verkoopt, geen omzetbelasting verschuldigd voor de levering van bodembeslaggoederen. 

8. Strengere regels voor betaalde telefoondiensten

Ondernemers die een 0900-, 0906-, 0909-, of 18-nummer gebruiken, moeten zich vanaf 1 juli verplicht aansluiten bij de Geschillencommissie Informatiedienstaanbieders. Consumenten kunnen hier terecht bij conflicten met een nummergebruiker. Een consument met een klacht, hoeft de kosten van de rekening waarover de klacht gaat niet te betalen tot het conflict is opgelost(zie: Beschermingsmaatregelen consumenten voor informatienummers).
­
Verder kan de abonnee vanaf 1 juli 2009 een stilzwijgend verlengd abonnement na de eerste contractsperiode (meestal 1 tot 2 jaar) op elk moment opzeggen met een opzegtermijn van een maand(zie: Telecomcontracten vanaf 1 juli makkelijker op te zeggen).

9. Aangepaste Algemene wet bestuursrecht

Voortaan kan de Belastingdienst ook een bestuurlijke boete opleggen aan de belastingadviseur als ‘medepleger’ bij een onjuiste aangifte. De aangepaste Algemene wet bestuursrecht is namelijk per 1 juli 2009 in werking getreden(zie: Belastingadviseur voortaan ‘medepleger’ bij onjuiste aangifte).

10. Communautaire wetgeving

Op 1 juli 2009 wordt een groot aantal wijzigingen in de communautaire wetgeving van toepassing. In Nederland worden zij over het algemeen per 31 januari 2010 ingevoerd(zie: Groot aantal wijzigingen eCustoms op komst).

Overige nieuwe wetgeving per 1 juli:

[ Bron: Kamer van Koophandel/Redactie Plein+ ]

Nieuwe btw-correcties auto van de zaak

Heeft u aan uw personeel auto’s ter beschikking gesteld die ook voor privé worden gebruikt, dan moet u de btw die u in eerste instantie geheel in aftrek heeft gebracht corrigeren.

Heeft u aan uw personeel auto’s ter beschikking gesteld die ook voor privé worden gebruikt, dan moet u de btw die u in eerste instantie geheel in aftrek heeft gebracht corrigeren.

 

Let echter op, deze btw-correctie is onlangs gewijzigd. Dat is het gevolg van een recent besluit van de staatssecretaris.

U heeft als werkgever alleen recht op btw-aftrek als er sprake is van ondernemerskosten. Dit betekent dat de btw die aan het privégebruik van de auto van uw werknemer kan worden toegerekend niet aftrekbaar is. Hoe bepaalt u nu dat privégebruik? U kunt uw werknemers vragen het privégebruik door middel van een rittenadministratie bij te houden. De aan het privégebruik toe te rekenen btw is dan niet aftrekbaar. De rechter heeft echter bepaald dat een werkgever het bijhouden van een rittenadministratie niet kan afdwingen.

In veel gevallen zal een rittenadministratie dus niet voorhanden zijn. Om dit probleem op te lossen mag een werkgever voor de btw-correctie gebruikmaken van de regeling zoals die geldt voor ondernemers, de zogenoemde forfaitaire regeling.

Forfaitaire regeling

Deze regeling houdt in dat u de btw op kosten van aanschaf, gebruik en onderhoud van de auto in eerste instantie volledig in aftrek brengt. Vervolgens maakt u in de laatste btw-aangifte van het boekjaar een correctie voor privégebruik van uw werknemer. Onlangs maakte de staatssecretaris bekend dat de btw-correctie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 12% bedraagt van de correctie in de inkomsten- en loonbelasting. Kortom, voor de btw-correctie wordt volledig aangesloten bij de inkomsten- en loonbelasting.

Dit was tot voor kort anders. Tot 1 januari 2008 was het zo dat een werkgever voor een werknemer die minder dan 500 km privé reed geen bijtelling in de loonbelasting in aanmerking hoefde te nemen, maar nog wel een btw-correctie moest berekenen (12% x 10% x cataloguswaarde).

 

Woon-werkverkeer

Het verschil zat in een andere kwalificatie van privégebruik. Voor de btw werden namelijk woon-werkkilometers wél als privé aangemerkt, terwijl dit voor de inkomsten- en loonbelasting niet het geval was. Dit verschil is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 opgeheven. De goedkeuring van de staatssecretaris zorgt voor een aanzienlijke vereenvoudiging, omdat de werkgever nu geheel kan uitgaan van de bijtelling in de loonbelasting.

Ook is hiermee een ander verschil opgeheven, namelijk het verschil tussen ambulante en niet-ambulante werknemers. Vóór 2008 gold voor ambulante werknemers die meer dan 500 km privé reden voor de btw een correctie van 12% x 22% x cataloguswaarde. Nu is dat 12% x 25% x cataloguswaarde.

 

Let op!

Tot 1 januari 2008 gold woon-werkverkeer voor de btw als privé, terwijl dit voor de inkomsten- en loonbelasting niet zo was. Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is dit verschil opgeheven.

 

Percentages

Door de goedkeuring van de staatssecretaris kan de werkgever voor de btw-correctie dezelfde percentages hanteren die gelden voor de inkomsten- en loonbelasting. Dit betekent dus dat een werkgever in principe 12% x 25% x cataloguswaarde auto moet corrigeren. Wordt er in een (semi)zuinige auto gereden, dan kan de werkgever uitgaan van 12% x 20% of 12% x 14%.

 

De btw-correctie voor privégebruik van de auto van de zaak bedraagt:

  • 12% x 14% x cataloguswaarde auto ingeval er in een zeer zuinige auto wordt gereden en het aantal privékilometers meer dan vijfhonderd bedraagt;
  • 12% x 20% x cataloguswaarde auto ingeval er in een semizuinige auto wordt gereden en het aantal privékilometers meer dan vijfhonderd bedraagt;
  • 12% x 25% x catalogusprijs ingeval er sprake is van ambulant personeel en het aantal privékilometers meer dan vijfhonderd bedraagt. Tot 1 januari 2008 gold voor deze situatie nog een btw-correctie van 12% x 22% x catalogusprijs;
  • 12% x € 300 per bestelauto per werknemer per jaar ingeval de bestelauto doorlopend afwisselend wordt gebruikt door twee of meer werknemers (en waarvoor in de loonbelasting de eindheffing van € 300 per bestelauto geldt);
  • nihil voor werknemers die de auto minder dan vijfhonderd kilometer privé gebruiken. Tot 1 januari 2008 gold voor deze situatie nog een btw-correctie van 12% x 10% x cataloguswaarde auto;
  • nihil voor werknemers die in een bestelauto rijden die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer of in een bestelauto die niet buiten werktijd mag worden gebruikt;
  • 12% x 25% x cataloguswaarde auto in alle overige situaties.

Voorbeeld

Stel een werknemer rijdt voor zijn woon-werkverkeer in een auto van de zaak. Hij rijdt jaarlijks minder dan vijfhonderd kilometer privé, waardoor er voor de loonbelasting geen bijtelling voor het privégebruik geldt. Tot 1 januari 2008 moest de werkgever nog wel een btw-correctie toepassen van 12% x 10% x catalogusprijs auto.

Vanaf 1 januari 2008 hoeft dit niet meer.

 

Eigen bijdrage

Stel u ontvangt van uw werknemer een eigen bijdrage voor het privégebruik. Over deze vergoeding bent u btw verschuldigd. De btw die u verschuldigd bent bij toepassing van de bijtelling voor privégebruik kunt u verminderen met de btw die u moet voldoen over de vergoeding die u van uw werknemer heeft ontvangen.

Stel u heeft van uw werknemer een bedrag van € 3000 ontvangen voor het privégebruik van de auto van de zaak. De in dat bedrag begrepen btw (19/119 x 3000 = € 479) heeft u op aangifte voldaan. De auto heeft een cataloguswaarde van € 25.000. Het gaat om een zuinige auto zodat de btw-correctie in eerste instantie 12% x 20% x € 25.000 = € 600 bedraagt.

Dat bedrag mag u vervolgens verminderen met de al voldane € 479. Per saldo geeft u dus in het laatste tijdvak van het jaar een bedrag van € 121 aan.

 

Advies

Het besluit van de staatssecretaris over de btw-correctie heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2008. Werkgevers die een te hoge correctie hebben toegepast kunnen bezwaar maken tegen de eigen aangifte of – als de termijn is verstreken is – amtbshalve teruggaaf claimen.

Dat geldt voor niet-ambulante werknemers zonder bijtelling in de loonbelasting. Tot 2008 gold voor hen een correctie van 12% x 10% x cataloguswaarde, maar vanaf 2008 is geen correctie meer nodig.

Dat geldt ook voor werknemers die in een zuinige auto rijden en waarvoor vanaf 2008 een correctie van 14% of 20% (in plaats van 25%) mag worden toegepast.

 

Bron: De SalarisAdviseur >>

Voorwaarden voor stamrechtvrijstelling bij ontslag zijn strikt

De voorwaarden voor de stamrechtvrijstelling bij ontslag zijn erg strikt. Zo is het essentieel dat de voormalige werknemer op het moment van toepassing van de vrijstelling de ontslaguitkering in fiscale zin (nog) niet heeft genoten.

Bij het voortijdig eindigen van een dienstverband worden werknemers dikwijls financieel gecompenseerd door middel van een ‘gouden handdruk’. Om de belastingheffing over de gouden handdruk uit te stellen, kan de uitkering periodiek (een zogenoemd stamrecht) in plaats van eenmalig aan de werknemer worden toegekend. Indien het stamrecht voldoet aan de wettelijke voorwaarden, kan de betaling van de koopsom plaatsvinden zonder inhouding van loonheffing (stamrechtvrijstelling) en inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. De periodieke uitkeringen zijn vervolgens belast op het moment dat deze worden uitgekeerd. De voorwaarden voor de stamrechtvrijstelling bij ontslag zijn erg strikt. Zo is het essentieel dat de voormalige werknemer op het moment van toepassing van de vrijstelling de ontslaguitkering in fiscale zin (nog) niet heeft genoten. Illustratief hierbij is een uitspraak van Rechtbank Den Haag.

 

Volledig bericht

Bij het voortijdig eindigen van een dienstverband worden werknemers dikwijls financieel gecompenseerd door de werkgever door middel van een ‘gouden handdruk’. Indien het een eenmalige uitkering betreft, is deze belast voor de loonbelasting tegen het tarief voor bijzondere beloningen en is hierover premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet verschuldigd. De gouden handdruk is vrijgesteld voor de premieheffing werknemersverzekeringen, omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking is.

Om de belastingheffing over de gouden handdruk naar de toekomst te verschuiven, kan de uitkering in plaats van eenmalig ook periodiek aan de werknemer worden toegekend (een zogenoemd stamrecht). Indien het stamrecht voldoet aan de wettelijke voorwaarden, kan de betaling van de koopsom plaatsvinden zonder inhouding van loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet en worden de periodieke uitkeringen belast op het moment dat deze worden uitgekeerd. Eén van deze voorwaarden is dat het stamrecht in fiscale zin (nog) niet is genoten. In fiscale zin is sprake van ‘genieten’ als een inkomensbestanddeel is betaald of verrekend, ter beschikking wordt gesteld, rentedragend wordt of vorderbaar en inbaar is geworden. Deze voorwaarde is heel strikt. Illustratief hierbij is een uitspraak van Rechtbank Den Haag. De zaak was verkort weergegeven als volgt.
 
Een man was werkzaam bij twee werkgevers. Door tussenkomst van de rechter werden de arbeidsovereenkomsten in februari 2004 ontbonden. Op een rechtszitting in maart 2004 kwamen partijen een ontslagvergoeding overeen van € 55.000. De man had al in maart 2003 een bv opgericht waarvan hij alle aandelen hield en enig bestuurder was. De bv was bedoeld om als een stamrecht-bv te fungeren. De ontslagvergoeding werd in april 2004 overgemaakt op de derdengeldenrekening van een notariskantoor. Op 4 mei 2004 maakte het notariskantoor € 55.000 over op de bankrekening van de bv onder vermelding van: “inzake stamrechtuitkering”. Op 10 mei 2004 en 15 juni 2004 maakte de bv een bedrag van ruim € 55.000 over op de bankrekeningen van de man en zijn echtgenote. Na deze overboekingen bleef nog een klein bedrag over op de bankrekening van de bv. Op 24 juni 2004 werd de stamrechtovereenkomst tussen de bv en de man getekend.
 
De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de man al vóór de totstandkoming van het stamrecht over de ontslagvergoeding had beschikt zodat de stamrechtvrijstelling daarop niet van toepassing was. Hij legde daarop de bv een naheffingsaanslag loonheffing op van € 23.100, vermeerderd met € 5.775 aan boete en € 1.968 aan heffingsrente. De man stelde dat de stamrechtvrijstelling wel van toepassing was. De zaak kwam voor Rechtbank Den Haag.
 
De rechtbank liep de wettelijke voorwaarden na voor de stamrechtvrijstelling. Uit de wettekst volgde dat de stamrechtvrijstelling alleen van toepassing kan zijn als het bedrag van de ontslagvergoeding in fiscale zin nog niet is genoten. De rechtbank gaf verder aan dat bij een juiste verdeling van de bewijslast de bv aannemelijk moest maken dat aan alle voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling was voldaan. De rechtbank was echter van oordeel dat de bv niet in haar bewijslast was geslaagd. Vanwege de twee overboekingen van de bv op 10 mei 2004 en 15 juni 2004 had de man namelijk al over de ontslagvergoeding beschikt. Daarmee had de man deze inkomsten al in fiscale zin genoten.
 
De bv stelde nog dat de stamrechtovereenkomst al in 2003 mondeling was overeengekomen. De rechtbank achtte dat niet aannemelijk. Pas op 25 maart 2004 was namelijk overeenstemming bereikt over de ontslagvergoeding. Tot die datum was het nog onzeker of een ontslagvergoeding zou worden toegekend. Daarom vond de rechtbank het aannemelijk dat de stamrechtovereenkomst niet eerder dan op 24 juni 2004 tot stand is gekomen. Nu de man al vóór die datum over de ontslagvergoeding had beschikt, kon de stamrechtvrijstelling niet van toepassing zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van de bv ongegrond, maar verminderde de opgelegde boete met 5%, omdat behandeling van de procedure niet binnen de redelijke termijn van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens was geschied.
 
Bron: Rechtbank Den Haag, 3-6-2009, nr. 07/9429 (gepubliceerd 19-6-2009).